Vous êtes ici

Toegang tot energie in België en het Brussels Gewest

Focus - Actualisering : april 2021

In 2019 vormt de toegang tot energie nog steeds een probleem voor een deel van de bevolking, aangezien 1 op 5 Belgische gezinnen zich in een situatie van energiearmoede bevindt, een cijfer dat sinds 2009 nauwelijks is gewijzigd. De gevolgen voor de gewesten zijn tamelijk gedifferentieerd: in Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn er meer huishoudens die in energiearmoede verkeren dan in Vlaanderen. Eenoudergezinnen of alleenstaanden worden ook vaker getroffen. Maar wat zijn de oorzaken van deze moeilijke toegang tot energie? Hoe valt het onevenwicht tussen de 3 Belgische gewesten te verklaren? En waarom worden bepaalde gezinstypes meer getroffen dan andere?

Wat is energiearmoede juist?

In een tijd waarin de klimaatproblematiek steeds zorgwekkender wordt en de energievoorziening zichzelf opnieuw probeert uit te vinden, vormt ook de toegang tot energie een uitdaging. Daarom lijkt het zinvol de problematiek van energiearmoede nader te bekijken. Maar wat wordt bedoeld met "energiearmoede"?

  Energiearmoede verwijst naar "de onmogelijkheid voor een gezin om – in zijn woning – toegang te krijgen tot de energie die het nodig heeft, tegen een betaalbare prijs ten opzichte van zijn inkomen" (Delvaux et al. 2017). 

Het begrip "energiearmoede" is afgeleid van het begrip "Fuel Poverty", dat in de jaren 1970 in het Verenigd Koninkrijk ontstond. Op Europees niveau kwam de kwestie van de energievoorziening van de bevolking in de jaren 2000 volop in de aandacht en werden talrijke studies over dit onderwerp uitgevoerd. Hoewel men geen gemeenschappelijke definitie kon vastleggen, promoot de Europese Unie tal van projecten om de omvang van energiearmoede in Europa terug te dringen. In België wordt ze elk jaar gemeten, en sinds 2009 publiceert de Koning Boudewijnstichting een rapport via de Barometer van de Energiearmoede. De hier voorgestelde resultaten zijn grotendeels afkomstig uit hun laatste publicatie (Coene et al. 2020), die inzoomt op de toestand van de energiearmoede in België in 2018. Er zij op gewezen dat deze studie alleen verslag uitbrengt over het kwantitatieve aspect van de energiearmoede in België, en dat de sociaal-economische en wetgevingsdimensies van het probleem slechts zeer beperkt aan bod komen. Voor meer informatie over deze aspecten verwijzen wij onder meer naar de studies van Baudaux et al. (2020) en Huybrechs et al. (2011). 

Op welke gegevens zijn de resultaten gebaseerd? 

De resultaten in de Barometer van de Energiearmoede (en dus ook hier) zijn gebaseerd op de BE-SILC-enquête over inkomens en levensomstandigheden (Statistics on Income and Living Conditions). Dit is een follow-upstudie die sinds 2004 jaarlijks in alle landen van de Europese Unie wordt uitgevoerd. Een panel van gezinnen uit elk gewest (ongeveer 6.000 respondenten van Belgische gezinnen, d.w.z. ongeveer 11.000 respondenten ouder dan 16 jaar), dat gedurende maximaal 6 opeenvolgende jaren wordt gevolgd, wordt bevraagd over thema's als sociale integratie, inkomen, levensomstandigheden, gezondheid, ... We merken wel op dat sommige gegevens niet op een gedifferentieerde manier beschikbaar zijn voor de 3 gewesten (met name wegens de te kleine steekproefomvang), en dat sommige resultaten daarom worden voorgesteld voor België in zijn geheel en niet specifiek voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Wat betekent dat concreet?

Leven in een situatie van energiearmoede is leven met de dreiging dat men thuis geen toegang heeft tot de energie die nodig is om te leven in menswaardige omstandigheden. Geconfronteerd met moeilijkheden om de energiefactuur te betalen en met de dreiging dat de energievoorziening wordt afgesloten, kan iemand in energiearmoede zich dan ook niet beschermen "tegen een gebrek aan fysiek comfort – door de temperatuur of vochtigheidsgraad in de woning – of aan financieel comfort wat leidt tot zelfbeperking van het energieverbruik en zelfs schuldenlast." (Baudaux et al. 2020). Dit vertaalt zich in dagelijkse problemen (zoals bijvoorbeeld het bestrijden van vochtigheid, het opwarmen van water in een ketel om zich te wassen, leven met een stroombegrenzer, afzien van een wasmachine, of een deel van het huis afdichten of zelfs afsluiten) waarvan de gevolgen voor de levensomstandigheden zeer ernstig kunnen zijn. 

Waarmee houdt energiearmoede verband?

Verscheidene factoren hebben een invloed op energiearmoede en de omvang ervan. In de eerste plaats de weersomstandigheden, die immers een grote invloed hebben op de verwarmingsbehoeften. In koudere jaren zijn dus mogelijk meer gezinnen blootgesteld aan energiearmoede (of op een intensere manier), aangezien de verwarmingsbehoeften groter zijn. 

Naast de klimatologische factoren zijn er nog drie andere factoren die het risico op energiearmoede in belangrijke mate beïnvloeden: 

  • de energiefactuur (en dus de prijs van energie), 
  • het inkomen van het gezin, 
  • de kosten en/of de kwaliteit van de woning. 

De prijzen voor de belangrijkste energiebronnen (aardgas, stookolie en elektriciteit) zijn gestaag blijven stijgen tot 2012, en daalden vervolgens aanzienlijk tot 2016. Maar sinds 2017 (2015 voor elektriciteit) werd opnieuw een verhoging van de tarieven opgetekend in de drie Belgische gewesten. De energiefactuur van gezinnen is bijgevolg sterk gedaald tussen 2014 en 2016, en lijkt enigszins te stagneren sinds 2017. Het klimaateffect lijkt de stijging van de energieprijzen te hebben gecompenseerd. In 2019 zal de mediane energiefactuur (tegen lopende prijzen, d.w.z. inclusief inflatie) voor Belgische gezinnen € 138 per maand bedragen, met grote verschillen tussen de gewesten. 

Tegelijkertijd zijn ook de inkomens van de gezinnen gedaald sinds 2009. De mediaan van het equivalente beschikbaar maandinkomen bedroeg € 1.945 in 2019, opnieuw met grote gewestelijke verschillen. Zo is het beschikbare mediane maandinkomen het laagst in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (€ 1.610), in tegenstelling tot Vlaanderen, dat het hoogste inkomen heeft (€ 2.075). Opgemerkt zij dat het equivalente beschikbare inkomen alle inkomsten, toelagen en andere overdrachten omvat die huishoudens ontvangen en waaraan belastingen en overdrachten naar andere huishoudens worden afgetrokken, gedeeld door het aantal leden van het huishouden, omgerekend in volwassen equivalenten (Coene et al. 2020).

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is ook het gewest met de hoogste woonkosten (voornamelijk de huurprijs voor huurders, de aflossing van de hypothecaire lening en onroerende voorheffing voor eigenaars (Coene et al. 2021): € 600/maand, tegenover een Belgische mediaan van € 464/maand.


          

 Een inwoner van Brussel besteedt gemiddeld 38% van zijn budget aan huisvesting.

De woonkosten zijn sinds 2009 in de drie gewesten blijven stijgen, en de stijging was het sterkst voelbaar in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (+40% tegenover +25% in Vlaanderen en +17% in Wallonië). Een inwoner van Brussel besteedt gemiddeld 38% van zijn budget aan huisvesting. Er moet worden opgemerkt dat de mediane woonkosten sterk variëren afhankelijk van het eigendomsstatuut; voor eigenaars met een hypotheek liggen de woonkosten tien keer hoger dan voor eigenaars zonder hypotheek (maar zij hebben het hoogste mediane inkomensniveau), en huurders bevinden zich in een tussenpositie. Bovendien bestaat er een dualisering van de huurmarkt, waar de bevolking in stedelijke centra die in kleine appartementen met een matige huurprijs woont, te maken krijgt met aanzienlijke stijgingen van de huurprijs ten opzichte van andere woningen. 

We merken op dat, afgezien van het bestaan van deze risicofactoren, twee belangrijke parameters ertoe leiden dat deze factoren mogelijk energiearmoede veroorzaken:

  • de mogelijkheid van onderbreking van de voorziening (indien de stroomvoorziening gegarandeerd was, zou de toegang tot energie niet in gevaar komen);
  • de energieprestatie van het gebouw (afgezien van het risico op afsluiting), brengt een ongezonde woning de mogelijkheid om een minimum aan comfort in de woning te bereiken in gevaar. 

3 vormen van energiearmoede, met aanzienlijke gewestelijke verschillen


   Energiearmoede trof 20,7% van de Belgische gezinnen in 2019

Deze waarde varieert niet noemenswaardig sinds 2009. Er zijn echter sterke verschillen tussen de gewesten: 15,1% van de gezinnen wordt getroffen in Vlaanderen, 27,6% in Brussel en 28,3% in Wallonië. 

Aandeel van de bevolking dat in energiearmoede (alle vormen samen) verkeert, per gewest. 

Bron: Barometers energie- en waterarmoede 2019 (Coene et al. 2021). 



We onderscheiden 3 verschillende vormen van energiearmoede, die volgens de Barometer Energiearmoeden worden gedefinieerd aan de hand van 3 indicatoren (Coene et al. 2020): 
 

 

1.    Gemeten energiearmoede

Dit heeft betrekking op de situatie waarbij "huishoudens een te groot deel van hun beschikbaar inkomen na aftrek van woonkosten aan de energiefactuur besteden". 
In 2019 werd ongeveer 15% van de Belgische huishoudens ermee geconfronteerd, met een veel groter aandeel getroffen huishoudens in Wallonië (22,6%) dan in Vlaanderen (11%) of het BHG (14,4%). Dit is gedeeltelijk te wijten aan de hogere energieprijzen in Wallonië, het klimaat dat er over het algemeen minder mild is, en de woningen die er doorgaans groter zijn, vaak met vier gevels, en een lagere energiekwaliteit hebben. 

2.    Verborgen energiearmoede

Deze vorm van armoede focust op huishoudens die zich in een situatie van potentiële deprivatie bevinden, wat wil zeggen dat we "vermoeden dat zij hun energieverbruik terugschroeven tot onder hun basisbehoefte, omdat hun energiefactuur ‘abnormaal’ laag is". Het gaat dus om huishoudens die abnormaal weinig lijken te verbruiken voor hun energiebehoeften. 
In 2019 bedraagt het percentage 4,2% in België, met opnieuw belangrijke verschillen tussen de gewesten: 3,4% van de Waalse huishoudens verkeert in deze situatie, 3,5% van de Vlaamse huishoudens en 10,5% van de huishoudens in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dit percentage neemt sinds 2011 gestaag toe en kan gedeeltelijk worden verklaard door de grotere aanwezigheid van appartementen (de isolatie door gemeenschappelijke muren) en de kleinere omvang van de woningen. Het is ook in de grote stedelijke centra dat wij de meest geïsoleerde huishoudens of huishoudens met een laag inkomen aantreffen die hun uitgaven zouden beperken. 

3.    Ervaren energiearmoede

Dit heeft betrekking op "ervaringen en gevoelens van huishoudens in relatie tot hun (financiële) vermogen om de energiefactuur te betalen". 
Deze indicator is als enige puur subjectief en wordt zelf opgegeven door de huishoudens. Het omvat de huishoudens die, als reactie op een specifieke vraag over dit onderwerp in de enquête, zelf verklaren dat zij moeilijkheden ondervinden (of vrezen te zullen ondervinden) om hun woning naar behoren te verwarmen. De situatie verschilt ook sterk van gewest tot gewest: 1,5% van de Vlaamse gezinnen verkeert in deze situatie, tegenover respectievelijk 6,4% en 6,6% in Wallonië en Brussel. De laagste inkomens in deze 2 gewesten kunnen een verklaring zijn voor de grotere aanwezigheid van angst bij de gezinnen voor hun energiefactuur. 

Er zij op gewezen dat er weinig overlapping bestaat tussen de 3 verschillende vormen van energiearmoede, behalve tussen gemeten en subjectieve armoede, waarbij 1,6% van de huishoudens tot beide categorieën behoort. In totaal bevindt 19,2% van de Belgische gezinnen zich dus in een "geobjectiveerde" situatie van energiearmoede (gemeten of verborgen armoede), en 1,5% in een subjectieve situatie (ervaren armoede). 

Wat zijn de verbanden tussen energiearmoede en andere vormen van armoede? 

Kruising tussen indicatoren van armoede en energiearmoede

Bron: Barometers energie- en waterarmoede 2019 (Coene et al. 2021)

Energiearmoede kan ook in verband worden gebracht met andere sociaal-economische kenmerken van de Belgische bevolking, zoals blijkt uit de studie van de Koning Boudewijnstichting.
Zo stellen we vast dat 15,5% van de Belgische gezinnen in 2019 geacht wordt een armoederisico te lopen* (zie onderaan de pagina) (een cijfer dat sinds 2014 is gestegen). Als we de cijfers voor het armoederisico en die voor energiearmoede met elkaar vergelijken, dan zien we dat 48% van de huishoudens die in situatie van energiearmoede verkeren (d.w.z. 9,8% van alle Belgische huishoudens) ook een armoederisico lopen. Er bestaat dus een verband tussen deze twee parameters, maar dat betekent ook dat 52% van de huishoudens die in energiearmoede verkeren (10,9% van de Belgische huishoudens) aanvankelijk geen armoederisico loopt, maar toch moeite heeft om de energiefactuur te betalen. 
Er moet worden opgemerkt dat het aandeel van de bevolking dat in armoede dreigt af te glijden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aanzienlijk hoger ligt dan het Belgische gemiddelde (31,4% in 2019). 
Er kan dus worden aangenomen dat een proportioneel groter deel van de Brusselse bevolking (in vergelijking met het Belgische gemiddelde) het risico loopt op in een situatie van energiearmoede te belanden. 

Evenzo stellen we vast dat 73% van de Belgische gezinnen die in (alle vormen van) energiearmoede verkeren (=15,1% van de Belgische gezinnen), huishoudens zijn zonder inkomen uit arbeid (wat omgekeerd impliceert dat het hebben van een inkomen uit arbeid niet noodzakelijk bescherming biedt tegen energiearmoede, aangezien 27% van de huishoudens zich in dat geval bevindt). Omgekeerd bevindt 37,2% van de huishoudens zonder inkomen uit arbeid (15,1% van alle Belgische gezinnen) zich daadwerkelijk in een situatie van energiearmoede. Een van de redenen hiervoor is de combinatie van een lager inkomen en een grotere aanwezigheid in huis (waardoor de energiebehoeften toenemen). 
Terwijl het armoederisico uitsluitend gebaseerd is op een monetair criterium (hoogte van het inkomen), bestaat er nog een andere indicator om de armoede van een huishouden in aanmerking te nemen: materiële deprivatie*, die wordt gedefinieerd als "het gebrek aan toegang, om financiële redenen, tot een reeks van 13 zaken die noodzakelijk worden geacht voor een menswaardig bestaan in onze samenleving. De mate van deprivatie wordt 'ernstig’ genoemd als het huishouden geen toegang heeft tot ten minste 5 van deze zaken". In 2019 bevond 4,9% van de huishoudens zich in deze situatie van ernstige deprivatie, en kampte 69% van hen (3,4% van de Belgische gezinnen) ook met energiearmoede. Toch bevindt 83,8% van de gezinnen in energiearmoede (=17,3% van alle gezinnen) zich niet in een situatie van ernstige materiële deprivatie. 

Energiearmoede treft niet alle gezinstypes op dezelfde manier.

Aandeel van de Belgische bevolking in een situatie van energiearmoede (alle vormen samen) per gezinstype. 

Bron: Barometers energie- en waterarmoede 2019 (Coene et al. 2021)
Opmerking: de cijfers tussen haakjes zijn indicatief, omdat de steekproef te klein is en de kwaliteit van het resultaat niet kan worden gegarandeerd. 

Uit de gegevens blijkt dat alleenstaanden en eenoudergezinnen (die respectievelijk 35% en 8% van de Belgische bevolking uitmaken, zie de onderstaande figuur) veel kwetsbaarder zijn dan andere gezinstypes. Meer dan een derde van deze twee gezinstypes verkeert daadwerkelijk in een situatie van energiearmoede (zie de bovenstaande figuur). Dit kan hoofdzakelijk worden verklaard doordat slechts één inkomen aanwezig is (dat over het algemeen lager is, aangezien dit niet afkomstig is van werk voor 63% van de alleenstaanden en 30% van de eenoudergezinnen). Hierdoor kunnen deze huishoudens moeilijker in hun energiebehoeften voorzien, die in verhouding doorgaans niet lager zijn dan die van een gezin van 2 volwassenen met kinderen, bijvoorbeeld. 
Onder deze kwetsbare gezinnen zijn vrouwen zwaar oververtegenwoordigd: 

  • zij staan aan het hoofd van 80% van de eenoudergezinnen, 
  • het aantal vrouwen is dubbel zo groot als het aantal mannen onder de alleenstaande ouderen (65 jaar en ouder). 
  • Bovendien beschikken zij doorgaans over een lager inkomen dan alleenstaande mannen in dezelfde leeftijdsgroep. 

Ook hier vertoont de Brusselse bevolking een oververtegenwoordiging van bijzonder kwetsbare gezinnen. Bijna de helft van de Brusselaars is immers alleenstaand (46%) en ook eenoudergezinnen maken een groter deel uit van de bevolking (12%) dan het Belgische gemiddelde (6%). Deze bijzondere structuur van de huishoudens in het Brussels Gewest impliceert dus dat een aanzienlijk groter deel van de bevolking kwetsbaar is voor energiearmoede, en verklaart de relatief hoge waarde van 27,6% energiearmoede in Brussel.  

Verdeling van de huishoudtypes in de totale Brusselse en Belgische bevolking (links en in het midden) en in de Belgische bevolking die in energiearmoede verkeert, alle types samen (rechts). 

Bron: BISA (voor Brussel) en Barometers energie- en waterarmoede 2018 (Coene et al. 2020)

 

Als we kijken naar alle gezinnen in energiearmoede en we de verdeling naar huishoudtype analyseren, blijkt heel duidelijk dat de alleenstaanden het sterkst vertegenwoordigd zijn; bijna 56% van de huishoudens in energiearmoede behoort tot deze categorie. Onder de alleenstaanden zijn 65-plussers des te kwetsbaarder (40,1% van hen verkeert in een situatie van energiearmoede, tegenover 31,5% van de mensen jonger dan 65 jaar). En van deze alleenstaande ouderen die in een situatie van energiearmoede verkeren, is 74% vrouw. 

Wat is het verband met de gezondheidstoestand, het eigendomsstatuut en de kwaliteit van de woning?

Hoewel er geen oorzakelijk verband kan worden vastgesteld tussen energiearmoede en gezondheidstoestand, toont de studie van de Koning Boudewijnstichting aan dat Belgen die met energiearmoede kampen, veel vaker aangeven in slechte of zeer slechte gezondheid te verkeren dan huishoudens die zich niet in een situatie van energiearmoede bevinden. Zij melden ook vaker een chronische ziekte te hebben, of te worden geconfronteerd met een lichte of ernstige beperking in hun dagelijkse activiteiten als gevolg van een gezondheidsprobleem. 

Wat het verband tussen het eigendomsstatuut van een woning en energiearmoede betreft, lijkt het erop dat het statuut van huurder mensen kwetsbaarder maakt: 34,9% van de huurders heeft te kampen met energiearmoede, tegenover slechts 14,2% van de eigenaars. Hier zien we een verband met de meest kwetsbare huishoudens: alleenstaanden en eenoudergezinnen zijn het vaakst huurder van hun woning. Bovendien kunnen huurders hun huisvesting niet gemakkelijk verbeteren overeenkomstig hun behoeften. Meer in het algemeen bestaat er dus ook een verband tussen energiearmoede en de kwaliteit van de woning: meer dan een derde van de huishoudens in energiearmoede heeft een woning van mindere kwaliteit (lekkend dak, vocht, verrot houtwerk, enz.). Woningen van mindere kwaliteit worden ook vaak aangetroffen in dichtbevolkte gebieden waar veel huishoudens met een laag inkomen wonen. Er moet ook worden opgemerkt dat sociale huurders des te meer worden getroffen door energiearmoede, aangezien 41% van hen eronder lijdt. Dit hoge cijfer is vooral toe te schrijven aan de lage energieprestatie van sociale woningen. 

De ecologische transitie, een mogelijke hefboom voor een nieuw evenwicht?

De energiearmoede in België lijkt niet af te nemen in de loop der jaren, en de sociaal-economische omstandigheden bepalen sterk hoe kwetsbaar huishoudens zijn voor dit verschijnsel. Toch zullen de energieprijzen op termijn waarschijnlijk stijgen, met name door de uitputting van fossiele brandstoffen en de prijs van hernieuwbare energiebronnen die momenteel hoger ligt. 
Daarom blijft het van groot belang het beleid ter bestrijding van energiearmoede verder te integreren en te verbeteren, met name in het klimaatbeleid. Dit in het kader van de ecologische transitie en in synergie met het beleid inzake duurzame ontwikkeling, die beide een antwoord trachten te bieden op de huidige ecologische uitdagingen. Het potentieel voor renovatie van gebouwen, bijvoorbeeld, is een centraal aandachtspunt bij de transitie dat toelaat om de energie-efficiëntie van gebouwen te verhogen en energieverlies te verminderen. 
In dit verband heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een strategie voor de renovatie van gebouwen uitgewerkt, die onder meer voorziet in de verplichte invoering van een EPB-certificaat voor alle gebouwen tegen 2025, en die het renovatiepotentieel van de gebouwen in kaart moet brengen. Deze energieprestatie-eisen gaan systematisch vergezeld van financierings- en steunmaatregelen voor kwetsbare huishoudens, zodat zij kunnen deelnemen aan de transitie en hun energiefactuur kunnen doen dalen. Het Lucht-Klimaat-Energieplan en het Gewestelijk Energie-Klimaatplan 2030 beogen op hun beurt ook de energiearmoede terug te dringen via verschillende acties, zoals de versterking van het consumentenbeschermingsbeleid, de versterking van de lokale sociale diensten voor gezinnen in moeilijkheden, of het toezicht op de diensten van leveranciers en netwerkbeheerders. Anderzijds beschermt het Gewest de toegang van de Brusselaars tot energie via verschillende bepalingen in de elektriciteits- en gasordonnanties (leveringscontract van minstens 3 jaar, afsluiting bij wanbetaling kan alleen door een vrederechter worden uitgesproken, statuut van "beschermde klant", enz.), en ondersteunt het de maatschappelijk werkers en de gezinnen bij kwesties in verband met de toegang tot energie, met name via het Centrum voor ondersteuning SocialEnergie en het Centrum Infor Gas Elek. 
De toegang tot energie is dus reeds een aandachtspunt in het gewestelijk beleid. Deze kwestie zal echter zo goed mogelijk moeten worden geïntegreerd in de toekomstige ecologische transitie om de ongelijkheden in toegang weer in evenwicht te brengen en, zo mogelijk, de omvang van energiearmoede te verminderen. 

*Wat is dat ? 

  • Armoederisico: een huishouden wordt geacht een armoederisico te lopen wanneer het inkomen lager is dan 60% van het nationale mediane inkomen (Coene et al. 2020).
  • Materiële deprivatie: dit is gebaseerd op de indicator van materiële en sociale deprivatie (MSD), dat omvat de onmogelijkheid om zich ten minste 5 goederen of sociale acties te veroorloven uit een lijst van 13 items: 
  1.  rekeningen op tijd te betalen
  2.  een week vakantie per jaar te nemen buitenshuis
  3.  minstens om de twee dagen vlees, kip of vis te eten
  4.  een onverwachte uitgave te doen
  5.  een persoonlijke wagen te bezitten
  6.  de woning degelijk te verwarmen
  7.  beschadigde of versleten meubels te vervangen    
  8.  versleten kledij te vervangen door nieuwe kledij    
  9.  twee paar schoenen in goede staat te hebben
  10.  thuis toegang tot internet te hebben
  11.  minstens éénmaal per maand met vrienden of familie af te spreken om iets te eten of te drinken
  12.  regelmatig deel te nemen aan vrijetijdsactiviteiten
  13.  wekelijks een bedrag uit te geven voor persoonlijke behoeften

 

Date de mise à jour: 03/05/2021