Vous êtes ici

Monitoring van de natuurlijke habitats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Focus - Actualisering : December 2020

Habitats van communautair belang (Natura 2000) en habitats van gewestelijk belang zijn onderworpen aan wetenschappelijke monitoring. Daarmee kan de staat van deze habitats worden geëvalueerd en kunnen beheermaatregelen worden gestuurd. Voor de meeste habitats is het aantal sleutelsoorten in de kruidlaag en hun dekking in de bemonsterde zones onvoldoende. De indicatoren met betrekking tot de verstoring en de structuur van boshabitats worden vaak positief beoordeeld.  Aan de andere kant is de aanwezigheid van dood hout meestal onvoldoende. Voor niet-beboste milieus brengt de monitoring de eutrofiëring van verschillende habitats aan het licht, evenals de overmaat aan slib en het gebrek aan horizontale structuur in de gemonitorde vijvers. Aan de positieve kant is er een niet-significante aanwezigheid van invasieve soorten en geen of weinig verruiging. 

Beschermde natuurlijke habitats in het Brussels Gewest

Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurlijke of semi-natuurlijke gebieden (speciale beschermingszones) die een speciale beschermingsstatus hebben vanwege de habitats of soorten die ze bevatten. Het Brussels Gewest telt 10 natuurlijke habitattypes van communautair belang. Deze zijn opgenomen in bijlage 1 van de Habitatrichtlijn, die met name habitats omvat die dreigen te verdwijnen of waarvan het verspreidingsgebied beperkt is.
Meer informatie over de Habitatrichtlijn, de aanwezige habitats van communautair belang en de monitoring van soorten en habitats die door de Europese wetgeving in het Brussels Gewest worden beschermd, is te vinden in de factsheets over de lokale staat van instandhouding van soorten in het kader van respectievelijk de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn , de factsheet over de monitoring van de natuurlijke habitats , de semi-natuurlijke gebieden en de groene ruimten met een beschermde status  en op de website van Leefmilieu Brussel (beschrijving van de in het Brussels Gewest aanwezige habitats van communautair belang ). 
De Brusselse wetgeving introduceert, via de Natuurordonnantie, het concept van natuurlijke habitats van gewestelijk belang (HGB).  Ze worden gedefinieerd als "natuurlijke habitats (...) voor de instandhouding waarvan het Gewest een bijzondere verantwoordelijkheid draagt vanwege hun belang voor het gewestelijk natuurerfgoed en/of vanwege hun ongunstige staat van instandhouding". Deze HGB's hebben grotendeels betrekking op open habitats (weiden, rietvelden enz.), die steeds zeldzamer worden in het Brussels Gewest, alsook op de flora en fauna die er afhankelijk van is. Meer informatie over HGB's is beschikbaar in de factsheet over semi-natuurlijke gebieden en groene ruimten met een beschermde status .
Voor habitats van communautair belang en HGB's die in Natura 2000-gebieden of natuurreservaten zijn opgenomen, gelden doelstellingen die moeten leiden tot een "gunstige staat van instandhouding" en beheermaatregelen om deze doelstellingen te bereiken.

Wetenschappelijke opvolging van beschermde habitats

De Habitatrichtlijn vereist monitoring en rapportage over de staat van de habitats en soorten op de schaal van de biogeografische regio (de Atlantische biogeografische regio in het geval van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) en op de schaal van de speciale beschermingszone.
Naast deze verplichtingen wilde het Brussels Gewest, net als Vlaanderen en andere lidstaten, een instrument ontwikkelen om de staat van instandhouding van soorten of habitats op lokaal niveau te bepalen. Dit beantwoordt aan een behoefte aan een concreet instrument dat kan worden gebruikt als basis voor het bepalen van de staat van instandhouding op hogere niveaus, maar ook aan de behoefte aan een monitoring- en evaluatie-instrument om de beheermaatregelen op het terrein te sturen.
Deze focus stelt de resultaten voor van de opvolging van de staat van instandhouding van natuurlijke habitats van communautair en gewestelijk belang op lokale schaal in het Brusselse Gewest sinds 2011 (2011, 2012, 2016, 2018 en 2019).
De evaluatiemethodologie is gebaseerd op wetenschappelijke studies uitgevoerd door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (het Vlaams onderzoeks- en kenniscentrum voor duurzaam natuurbeheer), waarbij gebruik gemaakt is van referentiedocumenten die op Europees niveau zijn opgesteld.
Deze methode is gebaseerd op parameters die voor elke habitat zijn gedefinieerd en die het mogelijk maken de staat van instandhouding ervan te beschrijven. Deze parameters werden uitgesplitst in een of meer indicatoren die de verstoring van de habitat, de kwaliteit en de structuur ervan weerspiegelen (fysieke componenten van een habitattype, afmetingen, ruimtelijke relaties enz.). Voor elke indicator wordt de waargenomen waarde vergeleken met de referentiewaarden, waarmee een score per indicator wordt bepaald.
De protocollen voor de bemonstering, het werk op het terrein en de evaluatie werden van de ene campagne tot de andere geleidelijk verbeterd. Het hoofddoel is te komen tot een standaardisering van de bemonsterings- en evaluatiemethodologie om de gegevens onderling te kunnen vergelijken (tussen sites of tussen campagnes). De evaluatiemethodologie wordt in detail beschreven in de factsheet over de monitoring van de natuurlijke habitats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest .
De resultaten worden voorgesteld voor boshabitats enerzijds en voor andere habitats anderzijds.  We merken op dat sommige Natura 2000-habitats vanuit ecologisch oogpunt vrij heterogeen zijn.  Als gevolg daarvan zijn sommige ervan onderverdeeld in meer relevante subtypes.

De meeste gemonitorde boshabitats hebben een goede structuur, maar onvoldoende dood hout

Voor elke geëvalueerde habitat en indicator tonen de tabellen het percentage bezochte bemonsteringszones die zich voor de indicator in een gunstige staat van instandhouding bevonden.
De onderstaande tabel heeft betrekking op de boshabitats van communautair belang die in het Brussels Gewest aanwezig zijn: 

De bevindingen van de evaluatie van 2019 volgen in grote lijnen dezelfde trends als die van de vijf evaluaties die in de periode 2011-2019 zijn uitgevoerd.
Wat de verstoringsindicatoren betreft, presteren de bemonsterde habitats over het algemeen goed. De belangrijkste verstoringen hebben betrekking op de aanwezigheid van een aanzienlijk deel invasieve exotische soorten in habitat 9190 (oude zuurminnende eikenbossen met Amerikaanse eik, valse acacia, laurierkers, enz.) en, in mindere mate, in habitat 91E0 subtype mesotroof elzen-essenbos. Habitat 91E0 Alluviale bossen subtype schietwilgenbos lijkt sterk te worden beïnvloed door verruiging (verstoring van de bodem door menselijke interventie) en wordt gemarkeerd door een sterke aanwezigheid van brandnetels en kleefkruid. Deze evolutie zou in verband kunnen worden gebracht met een uitdroging van het milieu.
In het algemeen wordt een gebrek aan sleutelsoorten in de bemonsterde zones vastgesteld, vooral in de kruidlaag. De beperkte aanwezigheid van sleutelsoorten op de bemonsterde percelen lijkt een van de belangrijkste beperkingen te zijn voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van deze habitats. Als we echter het hele bosmassief in ogenschouw nemen, zijn de sleutelsoorten grotendeels aanwezig in de 5 typen boshabitats. Dit betekent dat er een bijzonder goed potentieel voor kwalitatieve ontwikkeling is, maar dat veel belangrijke soorten relatief zeldzaam zijn en een beperkt aantal locaties met gunstige groeiomstandigheden vinden. Bovendien zijn de bezochte percelen niet arm aan soorten, maar in de meeste gevallen zijn de soorten die de habitats onderscheiden afwezig of ondervertegenwoordigd.
Boshabitats scoren goed op structurele parameters zoals het aantal vegetatielagen en het aantal groeiklassen. Naast een moslaag, een kruidlaag, een struiklaag en een boomlaag hebben boshabitats ook een boomlaag met verschillende hoogtes. Merk op dat groeiklasse 7, die overeenkomt met zeer dikke stammen, niet in alle bosgebieden is aangetroffen. Toch is de naleving van dit criterium niet essentieel om te kunnen beoordelen of de horizontale structuur zich in een gunstige staat van instandhouding bevindt.
De 'minimale structurele oppervlakte' is de minimale oppervlakte die nodig is om ervoor te zorgen dat alle fasen van de ontwikkeling van het bos voortdurend naast elkaar aanwezig zijn, zonder menselijke tussenkomst. De grootte ervan hangt af van het type bos. De meeste boshabitats scoren slecht op deze structurele parameter, die verband houdt met de versnippering van het Zoniënwoudmassief. Deze resultaten moeten echter met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd, vooral omdat bij de evaluatie van deze parameter alleen rekening is gehouden met de oppervlakken die zich binnen het Brussels Gewest bevinden, zonder rekening te houden met de habitatoppervlakken die in het Vlaams Gewest overlopen.  De methode en de interpretatie die momenteel worden gebruikt om deze indicator te beoordelen, zijn aan voorbehoud onderworpen en kunnen in de toekomst worden herzien.
Op enkele subtypes van alluviale bossen na, is de aanwezigheid van dood hout onvoldoende (te weinig dik dood hout en een te laag aandeel dood hout).

Over het algemeen goede scores voor indicatoren met betrekking tot verstoring van de gemonitorde graslanden en wetlands 

De onderstaande tabel heeft betrekking op de niet-boshabitats van communautair of gewestelijk belang in het Brussels Gewest:

Indicatoren met slechte scores voor de meerderheid van de bemonsterde locaties zijn onder meer: 

  • Het frequente tekort aan sleutelsoorten en/of de ontoereikende aanwezigheid van sleutelsoorten in de kruidlaag;
  • Eutrofiëring of overmatige stikstofverrijking van bepaalde milieus (vijvers, rietvelden, droge heidevelden, zilverschoongraslanden, kamgraslanden);
  • Overtollig slib en sediment en onvoldoende horizontale structuur in de gemonitorde vijvers.

Meer informatie is beschikbaar in de factsheet over de monitoring van de natuurlijke habitats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Positief is dat er goede scores worden toegekend aan bepaalde criteria, waaronder met name de niet-significante aanwezigheid van invasieve soorten en de beperkte of niet-bestaande verruiging.

De meeste heidehabitats verkeren in een ongunstige staat 

In het Zoniënwoud is droge heide een relicthabitat met op sommige plaatsen een beperkte oppervlakte.  Dit type habitat wordt in de context van het Zoniënwoud dan ook meer beschouwd als een structureel element van zuurminnende boshabitats. Het speelt een belangrijke en effectieve rol als habitat voor soorten van Europees en gewestelijk belang zoals vleermuizen, de hazelworm (Anguis fragilis), de levendbarende hagedis(Lacerta vivipara), enz.
Als we kijken naar de uitgevoerde evaluaties van de Europese droge heidehabitats in de evaluatieperiode 2011-2019, blijkt dat de meeste bemonsteringspunten een aantal lacunes vertonen. Ofwel is de habitat afwezig en is er eerder sprake van een beboste situatie, ofwel is de habitat volledig gedegradeerd. Uit de tabel blijkt dus dat de heidehabitats zich in een ongunstige staat bevinden, met name als gevolg van de criteria 'herbebossing' en 'aanwezigheid van sleutelsoorten'.

Date de mise à jour: 13/01/2021
Documents: 

Factsheets

Thema “Grondgebruik en landschappen in Brussel”

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel 

Studies en rapporten

Plannen en programma‘s