Vous êtes ici

Focus : Evolutie van de avifauna

Actualisering : februari 2020

De jaarlijkse follow-up van de alledaagse vogels maakt het mogelijk een tendens voor de periode 1992-2018 waar te nemen voor 40 soorten: voor 16 van hen kan een daling van de populaties worden waargenomen. Voor de groep van inheemse soorten suggereert de analyse van de gegevens een matige daling op lange termijn en een stabiele tendens sinds 10 jaar. De alledaagse vogels met de meest opmerkelijke daling op lange termijn zijn de soorten die hun nest bouwen in gebouwen en de trekvogels. Een globale gunstige evolutie wordt daarentegen vastgesteld voor de exotische soorten, de kraaiachtigen en in mindere mate de inheemse holenbroeders. 

De vogels, goede indicatoren van de staat van de biodiversiteit

De vogels zijn uitermate geschikt als biodiversiteitsindicator. Hun bijzonder groot vermogen om zich te verspreiden, stelt hen immers in staat snel te reageren op veranderingen in het leefmilieu. Zij zijn bovendien aanwezig in de meeste biotopen en (semi-)verstedelijkte milieus en vertegenwoordigd op vrijwel alle niveaus van de voedselketen, ook op de hoogste niveaus (insectivoren, predatoren). Ze zijn ook gemakkelijk te observeren.
De follow-up van de Brusselse avifauna gebeurt op verschillende manieren: uitvoering van een atlas die een overzicht geeft van de verspreiding en de aantallen van de nestbouwende vogels (om de 10-20 jaar), follow-up van de algemene avifauna of van specifieke groepen, specifieke wetenschappelijke studies, monitoring van soorten van communautair en regionaal belang, enz. Dit werk werd tot nog toe voornamelijk verzekerd door Aves, de ornithologische pool van de vzw Natagora, op vraag van Leefmilieu Brussel.

Voor de periode 1992-2018 wordt een daling bevestig voor 16 van de 40 soorten waarvoor een tendens kan worden vastgesteld. 

De jaarlijkse opvolging van de algemene broedvogels wordt georganiseerd sinds 1992. Dat gebeurt via de “luisterpunt”-methode, die erin bestaat in de lente alle vogels te inventariseren die gedurende een tijdspanne van 15 minuten worden gezien of gehoord. Deze methode, die vooral geschikt is voor soorten die hun territorium afbakenen door te zingen, maakt het mogelijk om iets minder dan de helft van de Brusselse nestbouwende avifauna te volgen.   Het netwerk van luisterpunten telt vandaag 114 stations; deze vertegenwoordigen zowel de sterk uiteenlopende groene ruimten in het Brusselse als de dicht bebouwde omgevingen.
Voor de periode 1992-2018 kon voor 40 soorten een trend worden waargenomen (soorten die voldoende regelmatig worden gezien of gehoord, m.a.w. de meeste van de soorten verspreid in het Brussels Gewest). Van deze soorten :

  • gaan er 10 (ofwel 25%) op vooruit (waaronder 4 exotische soorten) ; 
  • zijn er 14 (ofwel 35%) stabiel (waaronder 1 exotische soorten) ; 
  • gaan er 16 (ofwel 40%) op achteruit, waarvan er 3 sterk achteruitgaan.

Merk op dat deze balans slechts betrekking heeft op een deel van de avifauna, dat voornamelijk uit de meest verspreide nestbouwende soorten bestaat.
Een groot aantal soorten die niet met de methode van de luisterpunten worden gevolgd, vallen op gewestelijke schaal terug. Meestal betreft het soorten met hogere ecologische eisen tijdens de nestbouw. 
Onderstaande grafiek toont de vooruitgang, de stabiliteit of de terugval van soorten.  

Tendensen in de evolutie op lange termijn van de algemene avifauna in het Brussels Gewest (40 soorten, met inbegrip van 5 exotische soorten): gemiddelde jaarlijkse groeipercentages (1992-2018)

Bron  : Paquet A., Weiserbs A. 2019 (Natagora-Aves)
Groen voor de soorten die toenemen, blauw voor de stabiele soorten en rood voor de soorten in regressie (de foutbalk geeft het vertrouwensinterval voor deze tendens)

 

Volgens de statistische analyse van de gegevens die op lange termijn werd uitgevoerd (1992-2018) kan er een daling worden waargenomen voor 16 soorten, waarbij 3 soorten (fitis, huismus, Turkse tortel) sterk achteruitgaan (ofwel een aanzienlijke daling van 5 % per jaar, wat overeenkomt met een halvering van de populatie op 15 jaar). Tien soorten gaan erop vooruit waarvan 2 soorten (kauw, nijlgans) een sterke groei kennen (aanzienlijke groei van 5 % per jaar, wat overeenkomt met een verdubbeling van de populatie op 15 jaar). De matkop is verdwenen uit de tabel, want hij is uitgestorven als gewestelijke nestbouwende soort. We merken op dat de populatie van de ekster is gestabiliseerd, terwijl men doorgaans denkt dat ze stijgt.   

Voor de periode 1992-2018 zijn de alledaagse vogels met de meest opmerkelijke afname de trekvogels en de soorten die in gebouwen nestelen, een globaal gezien gunstige evolutie wordt daarentegen vastgesteld voor de exotische soorten, de kraaiachtigen en de inheemse holenbroeders   

De volgende grafieken tonen de evolutie van specifieke vogelgroepen.

De analyse per groep van soorten (MSI, Multi Species Index) is gebaseerd op een geometrisch gemiddelde van de trendlijnen van de verschillende soorten van eenzelfde groep. Het “gewicht” van elke soort wordt beschouwd als gelijk aan de andere terwijl de omvang van hun respectievelijke populatie gevoelig kan verschillen. Het is belangrijk rekening te houden met deze bijzondere berekening om de trends correct te interpreteren.  
De trendlijn wordt opgesteld op basis van de jaarlijkse fluctuaties van de MSI-index. De twee stippellijnen aan weerszijden van deze lijn geven de foutenmarge weer die bij de trendlijn hoort. De analyse houdt enkel rekening met de soorten waarvan de trends statistisch belangrijk zijn. 
Voor de inheemse alledaagse soorten zijn, voor de periode 1992-2018, de resultaten statistisch significant voor 35 soorten.  

Tendensen in de evolutie op lange termijn van de algemene avifauna in het Brussels Gewest : specifieke index (MSI, Multi Species Index) voor de inheemse soorten (1992-2018)

Bron : PAQUET A.,  WEISERBS A. 2019 (Natagora-Aves)
 

16 onder hen gaan achteruit, 13 zijn stabiel en 6 gaan erop vooruit (trends op lange termijn). De statistische analyse van de Multi Species Index (MSI), die werd uitgevoerd voor een groep van inheemse soorten, suggereert een gematigde afname (-25% sinds 1992) op lange termijn en een stabiele tendens sinds 10 jaar.  
Ook op Europees niveau brengt de monitoring van de alledaagse vogelsoorten een aanzienlijke afname op lange termijn (25 jaar) aan het licht, in het bijzonder voor wat betreft de vogelsoorten die afhankelijk zijn van de landbouwgebieden (SOER 2020). Volgens het Europees Milieuagentschap (SOER 2020) is deze trend vóór alles verbonden met het verlies, de fragmentering en achteruitgang van de natuurlijke en semi-natuurlijke ecosystemen (die grotendeels het gevolg zijn van de intensifiëring van de landbouw) en met de groeiende verstedelijking van de grond die de lichtvervuiling en geluidsoverlast vergroot. De drastische afname van de populaties van insecten heeft ook een impact op de insectenetende soorten.  

Tendensen in de evolutie op lange termijn van de algemene avifauna in het Brussels Gewest : specifieke index (MSI, Multi Species Index) voor de exotische soorten (1992-2018) 

Bron : PAQUET A.,  WEISERBS A. 2019 (Natagora-Aves)
 


De groep van exotische soorten neemt toe (+194 % in de periode 1992-2018).  Deze groep omvat de halsbandparkiet, de monniksparkiet, de grote Alexanderparkiet en de nijlgans. Voor 3 van deze 4 soorten neemt de populatie toe, terwijl 1 populatie stabiel blijft (trends op lange termijn). De gegevens betreffende de grote Canadese gans zijn statistisch gezien niet significant.  
De magelhaengans en de zwarte zwaan  bouwen geen nest meer in Brussel en zijn bijna verdwenen. 

Tendensen in de evolutie op lange termijn van de algemene avifauna in het Brussels Gewest :  Specifieke index (MSI, Multi Species Index) voor de soorten die hun nest bouwen in de gebouwen (1992-2018) 

Bron : PAQUET A.,  WEISERBS A. 2019 (Natagora-Aves)
 

De vogelsoorten die hun nest bouwen in de holtes van de gebouwen, typisch voor de “grijze zone” van het Brussels Gewest (in tegenstelling tot de groene gordel) gaan achteruit in de periode 1992-2018 (-76 %). Deze groep omvat de huismus (gaat achteruit op lange termijn), de spreeuw (gaat achteruit), de roodstaart (gaat achteruit) en de gierzwaluw (gaat achteruit). De rotsduif werd niet in aanmerking genomen voor de berekening van de index, omdat het geen strikte holbewoner is. Deze soort neemt toe.  
Meerdere factoren verklaren deze indrukwekkende daling van deze bekende en emblematische vogels van de steden: de renovatie van gebouwen waarbij oude holtes worden verwijderd (dakgoten,  steigergaten,...), de moderne gebouwen bieden weinig plaats aan de biodiversiteit (zie gedocumenteerde fiche over de ongewervelden ) en voor wat de mussen betreft, is de oorzaak het graantekort. 

Tendensen in de evolutie op lange termijn van de algemene avifauna in het Brussels Gewest : Specifieke index (MSI, Multi Species Index)  voor de inheemse holbewonende soorten  (1992-2018)  

Bron : PAQUET A.,  WEISERBS A. 2019 (Natagora-Aves)

De inheemse holbewonende soorten kennen een gematigde groei voor de periode 1992-2018 (+27%) en een stabiele tendens in het laatste decennium. Deze groep omvat de holenduif, de groene specht, de grote bonte specht, de koolmees, de pimpelmees, de glanskop, de boomklever, de boomkruiper, de spreeuw, de kauw.  Van deze 10 soorten gaat 1 soort achteruit, 6 andere zijn stabiel en 3 gaan erop vooruit. De matkop lijkt lokaal bijna uitgestorven. De middelste bonte specht, de grijskopspecht en de zwarte specht komen te weinig voor om statistisch belangrijke tendensen te kunnen geven. 

Tendensen in de evolutie op lange termijn van de algemene avifauna in het Brussels Gewest : specifieke index (MSI, Multi Species Index) voor de kraaiachtigen (1992-2018)

Bron:  PAQUET A.,  WEISERBS A. 2019 (Natagora-Aves)
 

De kraaiachtigen nemen toe ( +115 % op lange termijn). Deze groep omvat de zwarte kraai, de kauw, de ekster en de gaai. Van deze 4 soorten gaat 1 soort licht achteruit, 1 andere is stabiel en 2 gaan vooruit.   

De roek duikt nog niet op in de statistisch belangrijke resultaten hoewel hij zich snel vestigt in de hoofdstad. Vijf kolonies van verschillende omvang werden reeds geteld. Er werd ook een raaf opgemerkt die in maart 2017 op grote hoogte boven het Zoniënwoud vloog. 

Tendensen in de evolutie op lange termijn van de algemene avifauna in het Brussels Gewest : specifieke index (MSI, Multi Species Index) voor de trekvogels (1992-2018)

Bron:  PAQUET A.,  WEISERBS A. 2019 (Natagora-Aves)

De groep van trekvogels, allemaal insectenetend (gierzwaluw, grasmus, tinfluiter, fitis, tjiftjaf), kent een opmerkelijke achteruitgang (-63 %) op lange termijn, maar lijkt sinds 2007 iets minder snel achteruit te gaan. Een deel van de groep insectenetende trekvogels bestaat uit soorten (Sylviidae) die verbonden zijn aan de braakliggende terreinen. Aangezien deze laatste geleidelijk verdwijnen als gevolg van de verstedelijking dragen de Sylviidae (grasmussen en andere) zeker bij tot de globale negatieve trend van de geobserveerde groep op lange termijn. 

Het aantal inheemse vogelsoorten die verbonden zijn aan het aquatisch milieu neemt toe, maar 4 soorten, waaronder 2 exotische soorten, zijn duidelijk oververtegenwoordigd

Volgens Natagora-Aves tonen de tellingen in het algemeen een vooruitgang van een groot aantal inheemse vogels die in vochtig gebieden leven. Deze evolutie zou verband houden met hun gedeeltelijke of volledige bescherming sinds het einde van de 20ste eeuw en met de programma's voor het ecologisch herstel van de vochtige gebieden, zowel in het Brussels Gewest als in de andere gewesten en de buurlanden. In dit opzicht is er het herstel van bepaalde oevers van het Rood Klooster met in het bijzonder de aanleg van een rietveld dat ondanks de beperkte oppervlakte en de locatie op een druk bezochte site, talrijke zeldzame soorten aantrekt, zowel in de nestbouwperiode als in de overwinteringsperiode.  
De uitgevoerde follow-up brengt ook de oververtegenwoordiging van bepaalde soorten aan het licht: in 2018 vertegenwoordigden de populaties  van de meerkoet, de nijlgans, de Canadese gans en de wilde eend in de voortplantingsperiode alleen al bijna 80% van de alledaagse nestbouwende watervogelpopulaties op een twintigtal bestudeerde sites. Twee exotische soorten kennen een sterke groei, nl. de Canadese gans en de nijlgans. Deze laatste is opgenomen in de Europese lijst van invasieve exotische soorten (zie indicator Invasieve exotische soorten). Op de zes sites waar de Canadese ganzen en nijlganzen het meest voorkomen, dalen de populaties van de inheemse soorten aanzienlijk. 

6 soorten van spechten zijn aanwezig in het Zoniënwoud. 

De spechten zijn erkende bio-indicatoren voor de gezondheid en de rijpheid van het bosmilieu. In het Zoniënwoud broeden 5 soorten spechten (grote bonte specht, kleine bonte specht, groene specht, zwarte specht, middelste bonte specht).  Sinds 2016 broedt hier ook de grijskopspecht, een in België zeer schaarse soort die op Europees niveau sterk achteruitgaat. 
Met 6 soorten spechten is het Zoniënwoud nu een van de Belgische bossen die het rijkst zijn aan spechten. Een dergelijke biodiversiteit komt niet zo vaak voor in West-Europa en getuigt van de toenemende ecologische kwaliteit van het Zoniënwoud. 

Nadat ze bijna waren verdwenen zijn de populaties van huiszwaluwen, een soort van gewestelijk belang, sinds 2002 fors toegenomen. 

3 soorten zwaluwen worden door de Natuurordonnantie als 'soorten van regionaal' belang' beschouwd.  
Na een drastische terugval tussen 1992 en 2002 zijn de populaties huiszwaluwen sterk vooruitgegaan, van 33 koppels in 2002 naar 282 in 2018, waarschijnlijk dankzij verscheidene campagnes voor het plaatsen van nestkastjes in een aantal Brusselse gemeenten. Een andere positieve vaststelling: de enige twee kolonies die historische nestbouwsites vormen in het Brussels Gewest (Gerij in Vorst en Meunerie in Neder-over-Heembeek) zijn ook toegenomen. 
De boerenzwaluw heeft sterk te lijden onder de verdwijning van de landelijke ruimten in het Gewest. De tellingen van 2010 tot 2018 wijzen op een bestand van 10 tot 20 koppels, terwijl volgens de atlas van de broedvogels in 1990 170 tot 300 koppels werden geteld. 
De oeverzwaluw, die tot in de jaren '70 in het Brussels Gewest nesten bouwde, wordt vandaag alleen nog tijdens zijn trek waargenomen.
bruxelloise jusque dans les années ’70, n’est aujourd’hui plus observable que durant sa migration.

Van de 7 vogelsoorten die werden gevolgd in het kader van de Natura 2000-wetgeving werden er 5 in een gunstige staat van instandhouding geëvalueerd. 

In overeenstemming met de beschermingsmaatregelen opgelegd voor de Natura 2000-sites, werd een monitoring uitgevoerd op bepaalde diersoorten en natuurlijke habitats. In dit kader werd de staat van instandhouding van 7 vogelsoorten die aanwezig zijn in het Brussels Gewest  en die zijn vermeld in bijlage I van de Vogelrichtlijn (die bevat een overzicht van de soorten die als bijzonder bedreigd worden beschouwd; ongeveer 70 ervan bouwen hun nest, overwinteren of zijn op doortocht in België) in 2016 geëvalueerd.
De lokale staat van instandhouding werd als gunstig beoordeeld voor 5 vogelsoorten, nl.: 

  • de in het Zoniënwoud aanwezige wespendief ;
  • de op verschillende sites op het volledig Brussels grondgebied aanwezige slechtvalk ;
  • de op verschillende sites op het volledig Brussels grondgebied aanwezige ijsvogel ;
  • de in het Zoniënwoud aanwezige zwarte specht ;
  • de in het Zoniënwoud aanwezige middelste bonte specht.

Hij werd echter ongunstig bevonden voor 2 soorten die sporadisch in het Gewest worden waargenomen: de nachtzwaluw en de grote zilverreiger (zie voor meer details de Focus Staat van instandhouding van de soorten die onder de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn vallen).

De instandhouding of zelfs de uitbreiding van deze soorten op gewestelijk niveau impliceert de vrijwaring van hun biotopen (uitgestrekte open plekken en zandgronden in het Zoniënwoud, gediversifieerd woud met eiken en dennen, behoud van oude, dode en holtebomen, vochtige zones met steile en vrije oevers, platteland rijk aan hagen en weiden, …).

In 2013 raamden de 3 Gewesten – in overeenstemming met de Vogelrichtlijn, via welke onder meer monitoring werd opgelegd – opnieuw het bestand en de tendensen betreffende de broedvogels om bij te dragen aan het opstellen van een rapport op nationale schaal. Daaruit blijkt dat 107 vogelsoorten (waaronder 11 uitheemse) in de periode 2000-2012 hun nest bouwden in het Brussels Gewest. Dat vertegenwoordigt bijna 60% van het totaal aantal broedvogelsoorten in België. De beschikbare gegevens tonen stabiliteit of toename van de Brusselse populaties aan bij 50% van de soorten, en een daling bij 20% ervan. Overigens, zouden volgens het rapport tussen 2000 en 2012 5 nieuwe broedvogelsoorten zich hebben gevestigd en zouden 6 soorten lokaal uitgestorven zijn, zouden zich 5 nieuwe broedvogelsoorten zijn komen vestigen, terwijl er 6 lokaal zouden zijn uitgestorven.

De jongste atlas van nestbouwende vogels heeft grondige wijzigingen aan het licht gebracht: een vermindering van het gemiddelde aantal soorten per km2, de verdwijning van talrijke soorten, een toename van de exotische soorten...

De laatste atlas van de broedvogels van het Brussels Gewest, die de periode 2000-2004 beslaat, bracht 103 soorten in kaart (waaronder 11 niet-inheemse en 7 die lokaal zijn uitgestorven of zich op de drempel van uitsterven bevonden tijdens de uitwerking van de atlas), wat overeenkomt met bijna de helft van de nestbouwende soorten in België. Van deze soorten kunnen er slechts 16 worden beschouwd als wijd verbreid. Dit zijn vooral de opportunistische soorten die zich kunnen aanpassen aan een stedelijke omgeving (bepaalde zangvogels, houtduiven, zwarte kraaien,…); de soorten die hogere ecologische eisen stellen, zijn gewoonlijk zeldzamer.
Op basis van een analyse van de historische gegevens van het Brussels Gewest konden de auteurs van de atlas grondige wijzigingen aantonen, voor zowel de broeddichtheden als de soortensamenstelling:

  • het gemiddeld aantal soorten per km2 is verminderd, van 36,1 in 1989-1991 tot 33,7 in 2000-2004 ;
  • 14 soorten zijn recentelijk verdwenen of zo goed als verdwenen, op het niveau van het Gewest en ook op schaal van Brabant ;
  • een vijftiental soorten die verbonden zijn aan de open en halfopen milieus (velden, ruigten,…) zijn verdwenen tussen 1944 en 2004 ;
  • het aantal niet-inheemse nestbouwende soorten neemt sterk toe en de populaties van bepaalde uitheemse soorten groeien op exponentiële wijze aan (parkieten).

Deze negatieve tendensen worden enigszins afgezwakt door de terugkeer of het opduiken van opmerkelijke broedvogels (havik, middelste bonte specht, slechtvalk), alsook door de groeiende aantallen van meerdere inheemse soorten die profiteren van gunstigere of vaker voorkomende biotopen (met name parken en tuinen), van beheermaatregelen die beter zijn aangepast aan natuurlijke omgevingen of van beschermingsmaatregelen. 

Sinds de verwezenlijking van de atlas hebben 7 nieuwe inheemse soorten die vroeger nooit  in het Brussels Gewest hebben gebroed - ten minste met zekerheid - zich hier gevestigd:  de rietgors (2009), roek (2010), fluiter (2011), roodborsttapuit (2013), gekraagde roodstaart (2013), boompieper (2014) en krakeend (2015). De meeste van deze soorten hebben verminderde populaties of zijn onregelmatig.  9 andere soorten hebben geprobeerd om een nest te bouwen, hebben misschien zelfs een nest gebouwd (nestbouw mogelijk maar niet zeker). 8 soorten zijn daarentegen regionaal uitgestorven als zekere nestbouwende soort: de spotvogel, zwarte zwaan (exotische soort), magelhaen gans (exotische soort), boomvalk, patrijs, ringmus, kruisbek en kneu. Rekening houdend met de verdwijning van 8 soorten en de verschijning van 7 nieuwe soorten, is het aantal zeker nestbouwende soorten van 89 (2000-2004) naar 88 (2005-2017) gegaan (Paquet A. en Weiserbs A. 2018).

Date de mise à jour: 19/05/2020
Documents: 

Factsheets

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

Studies en rapporten

Plannen en programma‘s