Vous êtes ici

Emissies van broeikasgassen

Indicator - Actualisering : december 2021

CO2 is veruit het belangrijkste broeikasgas (BKG) dat uitgestoten wordt op het gewestelijk grondgebied (ongeveer 90% in 2019). De uitstoot van broeikasgassen in Brussel is voornamelijk te wijten aan het energiegebruik voor gebouwen (residentieel en tertiair; 54% van de rechtstreekse uitstoot van BKG in 2019) en transport (30%). Sinds 2004 vertoont de uitstoot van broeikasgassen een algemene neerwaartse tendens, los van de bevolkingsgroei, maar parallel aan de vermindering van het energieverbruik.

Een aantal doelstellingen

Als gevolg van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (VN-Klimaatverdrag) in 1992 is het Protocol van Kyoto (1997) het eerste akkoord over het internationaal klimaatbeleid. De geïndustrialiseerde landen hadden er zich op een concrete en bindende manier toe verbonden de broeikasgasemissies tijdens de periode 2008-2012 te verminderen (met 5%).
Sindsdien is in het kader van het UNFCCC door middel van verschillende internationale overeenkomsten met reductiedoelstellingen verder gestreefd naar vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. De belangrijkste was de Overeenkomst van Parijs (COP21), aangenomen in 2015, waarin de Europese Unie haar vrijwillige bijdrage heeft vastgesteld op -40% van de broeikasgasemissies tegen 2030. Deze verbintenis werd snel gevolgd door de vaststelling, eind 2019, van de doelstelling van een klimaatneutrale Europese Unie tegen 2050. In het kader van deze groeiende ambitie en om ervoor te zorgen dat het reductietraject coherent blijft, hebben de EU-lidstaten hun engagement voor 2030 verhoogd. Samen verbinden zij zich tot een emissiereductie van ten minste 55% ten opzichte van het niveau van 1990. Momenteel wordt deze doelstelling tussen de lidstaten verdeeld en waarschijnlijk zal de Belgische doelstelling een vermindering met -47% tegen 2030 zijn. Het huidige streefcijfer voor België, vóór deze laatste verhoging van de doelstellingen, is -35%.  
Ook de ambitie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is geleidelijk toegenomen. Nadat het zich had vastgelegd op een emissiereductie van 30% tegen 2025, heeft het zijn ambitie bevestigd door zich in het nationale Energie-Klimaatplan van 2019 te verbinden tot een emissiereductie van 40% tegen 2030 (ten opzichte van 1990). Deze doelstelling is vastgelegd in de Klimaatverordening, die in juli 2021 is aangenomen. Vandaag wil de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nog verder gaan; volledig in lijn met de verhoging van de Europese doelstelling zal ze binnenkort een hogere doelstelling goedkeuren, die door het volgende gewestelijke " Lucht-, Klimaat- en Energieplan" zal worden geïmplementeerd. 

CO2 blijft het belangrijkste BKG in het Brussels Gewest

De zes broeikasgassen (BKG) waarop de verschillende overeenkomsten betrekking hebben, zijn: koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), distikstofmonoxyde (N2O), fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), perfluorkoolstoffen (PFK’s) en zwavelhexafluoride (SF6). Er zijn nog andere gassen die het broeikaseffect bevorderen maar zij tellen niet mee voor de berekening van de reductiedoelstellingen. Concreet worden deze gassen gecombineerd in een “gezamenlijke pot”, waarbij elk gas wordt gewogen volgens zijn globaal opwarmingspotentieel uitgedrukt in “CO2-equivalent”.

Alleen de BKG die rechtstreeks op het grondgebied worden uitgestoten (directe emissies) worden in aanmerking genomen. De directe BKG-emissies in het Brussels Gewest zijn hoofdzakelijk het gevolg van de verbrandingsprocessen die gebruikmaken van fossiele brandstoffen (gas en aardolie). CO2 is veruit het belangrijkste BKG dat op het gewestelijk grondgebied wordt geëmitteerd (90% in 2019).

Directe emissies door gebouwen en vervoer

In 2019 was alleen al de verwarming van (residentiële en tertiaire) gebouwen goed voor 54% van de directe emissies van BKG. De transportsector is verantwoordelijk voor 28% van de uitstoot in het BHG. Daarbij wordt in feite 29% uitgestoten door het wegvervoer alleen al, wat dus duidelijk de overhand heeft in vergelijking met de andere vormen van vervoer (in het bijzonder het vervoer via waterwegen en spoorwegen). Samen vertegenwoordigen de gebouwen en het vervoer dus 88% van de directe broeikasgasemissies in 2019. 

Directe emissies van BKG (zonder de fluorhoudende gassen) in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 1990 tot 2019.

Bron: Leefmilieu Brussel, Dpt Evaluatie lucht klimaat energie (ingediend 2020)

Tussen 2004 en 2019 daalden de verwarmingsgerelateerde emissies, hoewel de Brusselse bevolking in die periode toenam (+ 21%) en het residentiële gebouwenpark aangroeide (+ 4,3 %, volgens Statbel en FOD Financiën - AA Patrimoniumdocumentatie). Het kantorenpark kent (volgens het Overzicht van het kantorenpark) sinds 2013 een dalende trend. De gewestelijke uitstoot van broeikasgassen blijkt aldus losgekoppeld te zijn van de bevolking. 
Zoals de stijgingen van de totale BKG-emissies in 2010, 2013 en 2016 aantonen, houdt deze evolutie echter ook verband met de klimaatomstandigheden (zachter in 2011, 2014 en 2017, strenger in 2010, 2013 en 2016), gezien het aandeel van de verwarming van gebouwen in de emissies. 

De gefluoreerde gassen, vaak “F-gassen” genoemd, bestaan uit meerdere types en vormen een bijzonder geval voor de klimaatopwarming. De CFK’s, HFK’s of PFK’s behoren tot de meest voorkomende die een verschillende impact hebben op de klimaatopwarming of het gat in de ozonlaag.
De uitstoot van gefluoreerde gassen neemt toe sinds de jaren 90 met evenwel een tendens tot stabilisering en zelfs een lichte daling sinds 2014. De stijging in de voorbije 30 jaar is het gevolg van het verbod op de productie van CFK’s door het Protocol van Montreal voor de bescherming van de ozonlaag (1987). Sindsdien gebruiken (voornamelijk) koel- of klimaatregelingssystemen HFK’s of PFK’s, die niet schadelijk zijn voor de ozonlaag, maar wel een probleem vormen aangezien ze de klimaatopwarming verergeren. De gefluoreerde gassen hebben immers een globaal opwarmingspotentieel (GWP) dat vele duizenden keren hoger ligt dan dat van CO2 (zie tabel van het GWP volgens het jongste verslag van het IPCC). Zelfs kleine hoeveelheden die in de atmosfeer aanwezig zijn, kunnen dus grote gevolgen hebben voor het klimaat. De gewestelijke regering heeft zich ertoe verbonden vanaf 2020 de controle op HFK-koelgassen te versterken en financiële stimuli in te voeren voor nieuwe installaties die alternatieve koelvloeistoffen gebruiken (zie ook het Energie-klimaatplan 2030). 

Indirecte emissies zijn niet te onderschatten

Naast de BKG die op het Brussels grondgebied zelf worden uitgestoten (“directe emissies”), brengt het Gewest ook “indirecte” emissies voort. Deze hangen samen met de productie buiten het Gewest van de elektriciteit die het BHG verbruikt (met name bijna 90 % van het elektriciteitsverbruik), en daar bovenop, met de productie van de consumptiegoederen die het Gewest invoert (voeding, huishoudtoestellen, bouwmaterialen, textiel, …).

De indirecte emissies van het Brussels Gewest werden geschat op bijna 20.000 kton CO2eq voor 2015 (in het kader van een studie om koolstofarme scenario’s tegen 2050 te identificeren, gerealiseerd in 2017 door Leefmilieu Brussel); met name meer dan 5 keer de hoeveelheid directe emissies.
Het in aanmerking nemen van indirecte emissies in de strijd tegen klimaatverandering is opgenomen in de artikelen 1.2.3 en 1.2.4 van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing (BWLKE), zoals ingevoegd door de Klimaatordonnantie van 17 juni 2021. Leefmilieu Brussel werkt ook aan de opstelling van een methodologisch kader voor de boekhouding van indirecte emissies om de hogervermelde raming te kunnen actualiseren en verduidelijken. 

Date de mise à jour: 07/01/2022