Vous êtes ici

De uitstoot van verontreinigende stoffen die de luchtkwaliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aantasten

paysage bruxellois

De menselijke activiteiten zijn de voornaamste bron van luchtverontreiniging in grote agglomeraties. De oorzaak ligt bij de werking van de stad, de bevolkingsdichtheid, de ontwikkelde activiteiten, de verplaatsingen. Ook al is de situatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet even alarmerend als in andere Europese metropolen, toch is ze zorgwekkend.

De voornaamste bronnen van verontreinigende emissies zijn:

  • verbranding in woon- en tertiaire gebouwen (verwarming, sanitair warm water en koken);
  • wegtransport;
  • huishoudelijk gebruik van solventen;
  • installaties voor de productie van energie (huisvuilverbrandingsoven, warmtekrachtkoppelingsinstallaties).

Elk jaar stelt het Gewest een inventaris op van de emissies van luchtverontreinigende stoffen. Dit is een databank met de emissies van een twintigtal geïnventariseerde verontreinigende stoffen, voor de periode van 1990 tot 2018. De laatste versie van de inventaris van de luchtverontreinigende emissies (LRTAP) van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest  is online beschikbaar.

In 2019 zijn de voornaamste verontreinigende stoffen die de luchtkwaliteit beïnvloeden:

  • stikstofoxiden (NOX);
  • zwaveloxiden (SOX);
  • niet-methaan vluchtige organische stoffen (NMVOS);
  • fijn stof (PM2,5).

Sectorale verdeling van de emissies van luchtverontreinigende stoffen in Brussel in 2019

""

De voornaamste bronnen van NOX-emissies in 2019 zijn het wegtransport (61%) en de verbranding in residentiële en tertiaire gebouwen (25%). De energieproductie stoot 7% uit en de categorie ‘Overige’ 6%.

De voornaamste bronnen van SOX-emissies zijn de verbranding in woon- en tertiaire gebouwen (95%) en de energieproductie-installaties (3%). Het wegtransport stoot 1% uit en de categorie ‘Overige’ 1%.

De NMVOS-emissies zijn voornamelijk afkomstig van industriële processen (ontvetten, voedingsindustrie, carrosseriebehandeling enz.) en van het huishoudelijke gebruik van schoonmaakproducten, cosmetica, parfums, verven enz. (653). Andere sectoren die NMVOS-genereren sectoren zijn het wegtransport (13%) en de verwarming van gebouwen (12%). De categorie ‘Overige’ vertegenwoordigt 11% van de emissies.

De verbranding in woon- en tertiaire gebouwen is de voornaamste bron van PM2,5-emissies (31%), gevolgd door het wegtransport (26%). De industriële processen en het gebruik van producten stoten 22% uit, waarvan 21% overeenkomt met het tabaksverbruik. Het afvalbeheer (exclusief energieterugwinning) vertegenwoordigt 16% van de emissies. De energieproductie stoot 2% uit en de categorie ‘Overige’ vertegenwoordigt 3% van de PM2,5.

De voornaamste bronnen van NOX-emissies in 2019 zijn het wegtransport (61%) en de verbranding in residentiële en tertiaire gebouwen (25%). 

De voornaamste bronnen van SOX-emissies zijn de verbranding in woon- en tertiaire gebouwen (95%) en de energieproductie-installaties (3%). 

De NMVOS-emissies zijn voornamelijk afkomstig van industriële processen (ontvetten, voedingsindustrie, carrosseriebehandeling enz.) en van het huishoudelijke gebruik van schoonmaakproducten, cosmetica, parfums, verven enz. (63%). Andere sectoren die NMVOS-genereren sectoren zijn het wegtransport (13%) en de verwarming van gebouwen (12%).

De verbranding in woon- en tertiaire gebouwen is de voornaamste bron van PM2,5-emissies (31%), gevolgd door het wegtransport (26%). De sector productgebruik stoot 22% van de fijne deeltjes uit en de afvalsector nog eens 16%.

Ontwikkeling van de luchtverontreinigende stoffen in de periode 1990-2019

De resultaten van de emissie-inventaris laten een afname van de emissies van verontreinigende stoffen zien tussen 1990 en 2019: -65% voor NOx, -89% voor SOx en -75% voor NMVOS. Ook de PM2,5-emissies zijn over die periode met 75% gedaald.

""

Alle verontreinigende stoffen tezamen zijn het vervoer en de verbranding in huisvesting en tertiaire gebouwen (hoofdzakelijk voor verwarming, maar ook voor sanitair warm water en koken) de grootste emissiebronnen. 

De emissies door verbranding in gebouwen vertonen van jaar tot jaar aanzienlijke schommelingen. Deze variaties houden verband met de verwarmingsbehoeften, die afhangen van de strengheid van de winters. De SOx- en PM2.5-emissies zijn sinds 1990 gestaag gedaald en zullen in 2019 naar verwachting ongeveer 20% van het niveau van 1990 bedragen. De uitstoot van NOx en NMVOS is sinds 1990 gehalveerd. Deze neerwaartse trends kunnen worden verklaard door een combinatie van factoren, zoals betere isolatie van gebouwen, efficiëntere verwarmingssystemen en het gebruik van brandstoffen met een lagere uitstoot, zoals aardgas.

De emissies van het wegvervoer zijn sinds 1990 sterk gedaald; met name de SOx-emissies liggen sinds 2008 vrijwel op nul, en de NMVOS-emissies zijn geleidelijk gedaald tot 6% van de emissies van 1990 in 2019. De PM2.5-emissies zijn tussen 1990 en 2000 aanzienlijk gedaald, en nemen sinds 2010 weer sterk af. Ook de NOx-emissies zijn gedaald, zij het in mindere mate, en bedragen in 2019 32% van het niveau van 1990; sinds 2015 is er echter sprake van een sterkere daling.

Date de mise à jour: 30/06/2021