Vous êtes ici

Focus: Prospectieve evolutie van het energieverbruik en de BKG-emissies

Het referentiescenario (BAU) voorspelt een daling van het energieverbruik met 8 % tussen 2012 en 2030. Tegen 2030 zou de uitstoot ten opzichte van 1990 met 5 % zijn gedaald. Het verbruik van gebouwen (residentiële en tertiaire sector) zou met respectievelijk 10 % en 15 % afnemen.

De uitstoot van broeikasgassen zou tussen 2012 en 2030 dalen met 10 %. Tegen 2030 zou die uitstoot in vergelijking met 1990 17 % lager zijn.
Ondanks die terugval zouden de broeikasgasemissies nog steeds 13 % boven het gewestelijk streefdoel voor 2025 uitkomen. Om die doelstelling te halen, moeten niet enkel de maatregelen uit het ontwerpplan Lucht-Klimaat-Energie worden uitgevoerd, maar moeten ook de mobiliteitsdoelen uit het IRIS 2-plan gehaald worden.

Modellen om de toekomstige evolutie te voorspellen

Om de mogelijke doeltreffendheid van de geplande beleidskeuzes te bepalen, zijn er een reeks voorspellingsscenario's uitgewerkt. Die hebben als doel de toekomstige evolutie van bepaalde factoren in te schatten op basis van de aangenomen veronderstellingen.
Zo werden naar aanleiding van de opmaak van het nieuwe plan Lucht-Klimaat-Energie een aantal scenario's uitgewerkt om te berekenen hoe het energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen (BKG, met uitzondering van fluorgassen) zullen evolueren. Daarvan modelleren de referentiescenario's (of BAU-scenario's, voor 'business as usual) de verwachte situatie vanuit de veronderstelling dat de vastgestelde trends zich doorzetten en dat de beleidsmaatregelen die nu al worden goedgekeurd/geïmplementeerd wel degelijk worden uitgevoerd. In het kader van dat Rapport over de Toestand van het Leefmilieu krijgen die trendscenario's de voorkeur. De overige scenario's werden bestudeerd in het kader van het milieueffectenrapport bij het ontwerpplan Lucht-Klimaat-Energie.

Welke hypotheses voor de referentiescenario's?

Het referentiescenario maakt een inschatting van de evolutie van het energieverbruik indien de uitvoering van het plan Lucht-Klimaat-Energie (zoals goedgekeurd in tweede lezing op 6 april 2015) uitblijft, op basis van de trends vastgesteld tussen 2001 en 2012 en voor een klimaat dat overeenstemt met het gemiddelde voor de voorbije 10 jaar.
De maatregelen opgenomen in het model zijn:

  • Voor de gebouwensector:
    • De reeds ingevoerde regelgeving, in het bijzonder via het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing (BWLKE) en meer bepaald de EPB-eisen uit 2015 voor technische installaties, de PLAGE-verordening en de energieaudit;
    • De projecten die reeds in 2012 werden uitgevoerd, in het bijzonder het project 'Voorbeeldige gebouwen'.
  • Voor het wegvervoer:
    • De uitbreiding van het openbaarvervoersaanbod en de volledige uitvoering van het GEN vanaf 2025 (zoals opgenomen in het IRIS 2-plan).

In het milieueffectenrapport bij het ontwerpplan Lucht-Klimaat-Energie vindt u meer details indien nodig (zie hoofdstukken 4.1 en 5.6.2).

Evolutie van het energieverbruik

Gemodelleerde evolutie van het totale energieverbruik in het BHG volgens het referentiescenario
Bron: Leefmilieu Brussel, dpt. Planning lucht, energie en klimaat, 2015

Gemodelleerde evolutie van het totale energieverbruik in het BHG volgens het referentiescenario

Ten opzichte van de huidige niveaus (bij reëel klimaat) wijst het referentiescenario (gemodelleerd bij constant klimaat, meer bepaald het gemiddelde van de voorbije 10 jaar) op een afname van het energieverbruik met 8 % tussen 2012 en 2030 en met 5 % ten opzichte van 1990.

Gemodelleerde evolutie van het energieverbruik in de gebouwsector in het BHG volgens het referentiescenario
Bron: Leefmilieu Brussel, dpt. Planning lucht, energie en klimaat, 2015

Gemodelleerde evolutie van het energieverbruik in de gebouwsector in het BHG volgens het referentiescenario

Wat de gebouwsector betreft (residentiële en tertiaire gebouwen), spreekt het referentiescenario van een daling van het energieverbruik met 10 % tussen 2012 en 2030 en met 5 % ten opzichte van 1990.

Evolutie van de broeikasgasemissies

Verwachte evolutie van de totale BKG-uitstoot in het BHG volgens het referentiescenario en verschil ten opzichte van het gewestelijk streefdoel
Bron: Leefmilieu Brussel, dpt. Planning lucht, energie en klimaat, 2015

Verwachte evolutie van de totale BKG-uitstoot in het BHG volgens het referentiescenario en verschil ten opzichte van het gewestelijk streefdoel

Het referentiescenario geeft aan dat de broeikasgasemissies tussen 2012 en 2030 met 10 % zullen dalen en in 2025 17 % lager zullen zijn dan in 1990. Het verschil ten opzichte van de gewestelijke klimaatdoelstelling om tegen 2025 de BKG-emissies met 30 % terug te dringen, zou dus op 13 % uitkomen.

Gemodelleerde evolutie van de BKG-uitstoot in de gebouwsector in het BHG volgens het referentiescenario
Bron: Leefmilieu Brussel, dpt. Planning lucht, energie en klimaat, 2015

Gemodelleerde evolutie van de BKG-uitstoot in de gebouwsector in het BHG volgens het referentiescenario
Volgens het referentiescenario zal de uitstoot van broeikasgassen in de gebouwsector (residentieel en tertiair) tussen 2012 en 2030 met 17 % afnemen, en in 2025 met 22 % zijn afgenomen ten opzichte van 1990.

Conclusies

Gelet op de aangenomen veronderstellingen blijkt uit het referentiescenario dat hoewel het energieverbruik en de broeikasgasuitstoot in een neerwaartse trend zitten, die daling onvoldoende zal zijn om de gewestelijke klimaatdoelstelling te halen, meer bepaald tegen 2025 de BKG-uitstoot met 30 % terugdringen ten opzichte van 1990.
Op basis van de uitgewerkte modellen kunnen we stellen dat het Gewest zijn doelstellingen op het vlak van klimaat en luchtkwaliteit enkel kan halen als het niet alleen de maatregelen uit het plan Lucht-Klimaat-Energie uitvoert, maar ook de mobiliteitsdoelstellingen uit het IRIS 2-plan haalt (zie het MER bij dit ontwerpplan voor meer details).

Date de mise à jour: 17/08/2016
Documents: