Vous êtes ici

Focus: Kartering - Beoordeling en beheer van de overstromingsrisico's

Actualisering : december 2015

De overstromingsgevaarkaart van het Brussels Gewest, beschikbaar sinds eind 2013, geeft de omvang van de overstromingen weer voor drie soorten gevaren (klein, middelgroot, groot). Als essentieel informatie- en beheersinstrument in de strijd tegen overstromingen is deze kaart bedoeld om inwoners, ondernemers, industriëlen en overheden waarvan het gebouw of de grond potentieel overstroomd kan worden, ertoe aan te zetten om zich beter te beschermen tegen overstromingen en om de gebouwen in overstromingsgevaargebied te beperken. Dit zal de daaraan gekoppelde schade verminderen. Uit de overstromingsrisicokaarten blijkt inderdaad aan dat 21% van de gewestelijke oppervlakte getroffen zou worden door deze problematiek, dit is bijna één inwoner op drie en iets minder dan een werknemer op twee.

Het rioleringsnetwerk, belangrijkste overstromingsoorzaak

In het Brussels Gewest doen de opgetekende overstromingen zich gewoonlijk voor door twee grote soorten regens:  hevige en kortstondige regen door lente- of zomeronweer (de overstromingen treffen dan zowel de gebieden bovenaan het stroomgebied als in de valleibodem en zijn erg plotse verschijnselen) ofwel lange herfst- en winterregens (de overstromingen treffen dan vooral de valleibodems en hebben een geleidelijk verloop. Op basis van het historisch overzicht van de overstromingen (hieronder geïllustreerd voor de periode 2004-2012), is het meestal het eerste soort weerverschijnsel (onweer) dat de overstroming veroorzaakt en het meeste schade berokkent.

Frequentie en belang (uitgedrukt in aantal overstroomde adrespunten) van de jongste significante overstromingen in de bewoonde zones van het Gewest (2004-2015)
Bron: Leefmilieu Brussel, op basis van de opmetingen van de interventiediensten (DBDMH) (2004-2015), van de dossiers van het Rampenfonds (2004-2009), van de gegevens van VIVAQUA (2004-2012)

Frequentie en belang (uitgedrukt in aantal overstroomde adrespunten) van de jongste significante overstromingen in de bewoonde zones van het Gewest (2004-2015)

De waargenomen overstromingen houden meestal verband met het rioleringsnet dat oververzadigd raakt (of een onaangepaste omvang heeft) hetzij rechtstreeks door overstort en stuwing van water dat erin doorstroomt, hetzij onrechtstreeks door de accumulatie van afvloeiingswater dat niet in de riolering kan worden afgevoerd. Hierbij mag men niet vergeten dat het rioleringsnet uit een stuk bestaat: het voert niet enkel afvalwater weg maar ook afvloeiwater. Het aandeel van het afvloeiwater is echter aanzienlijk want het vertegenwoordigt, volgens schattingen van de netbeheerders en van de waterzuiveringsstations, gemiddeld de helft van het opgevangen water. Het is dan ook makkelijk te begrijpen dat een merkbare verhoging van het afvloeiwater bij hevige regen leidt tot overstromingen. In een stedelijke omgeving stijgt niet alleen de omvang van het afvloeiwater maar ook het afvloeidebiet. Ten eerste gaat het om veel afvloeiwater rekening houdend met de hoge ondoorlaatbaarheidsgraad van de afgevloeide oppervlakten. Ten tweede vloeit ook de versnelling van de afvloeiingssnelheid voort uit de ondoorlaatbaarheidsgraad en ook uit de kunstmatige omgeving (snellere doorstroming in de leidingen dan op een oppervlakte) en dit vooral als er een belangrijk hoogteverschil is.
Er worden ook andere soorten overstromingen waargenomen, ook al zijn ze zeldzamer. Het gaat enerzijds om de stijging van het grondwaterstand (in de valleibodem) of om hoogwaterstanden van de waterloop.

Welke impact heeft de klimaatverandering?

Door hun onduidelijkheid of korte tijdsdekking laten de ingezamelde historische gegevens niet toe om een eventuele tendens te onderscheiden in de kans op overstromingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 1900 en vandaag.
De waarschijnlijke impact van de klimaatverandering in de komende jaren zou een toename van de overstromingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest inhouden, zowel tijdens de winter (hoogwaterstand van de rivieren) als tijdens de zomer (stuwing van rioleringen) (Factor-X, Ecores, TEC, 2012). De modellen wijzen echter eerder op een afname van hevige neerslag in de zomer. Maar ze tonen ook een stijging van de temperatuur, die een grotere instabiliteit van de atmosfeer zou kunnen veroorzaken en dus zwaardere onweders. Uit voorzorg wordt het overstromingsrisico in de zomer toch hoger ingeschat.

De kaart van de (potentiële) overstromingsgevaargebieden

De overstromingsgevaarkaart van het Brussels Gewest werd door Leefmilieu Brussel in december 2013 afgerond. De kaart geeft de delen van het grondgebied weer die potentieel overstroomd kunnen worden door drie scenarioklassen of gevaren:

  • Een worst case scenario, die weinig kans heeft om zich voor te doen (klein gevaar op overstroming dus), gekoppeld aan een overstroming met een terugkeertijd van 100 jaar (dit wil zeggen die een waarschijnlijkheidsgraad heeft om zich eenmaal om de honderd jaar voor te doen).
  • Een occasioneel scenario met een middelgroot gevaar gekoppeld aan een overstroming met een terugkeertijd van 25 tot 50 jaar.
  • Een vaak voorkomend scenario, met groot gevaar, gekoppeld aan een tienjarige overstromingsfrequentie (terugkeertijd van 10 jaar).

In overstromingsgevaargebied bestaat er een overstromingsrisico, waarbij de aanleg van de overstroming om zich voor te doen, en a fortiori de gevolgen, samenhangen met de intensiteit van het risico: hoe groter het gevaar, hoe groter het risico. In de overige gebieden is het overstromingsrisico niet uitgesloten: onvoorziene elementen (zoals een verstopte straatkolk, een leidingbreuk, enz.) kunnen inderdaad plaatselijk overstromingen veroorzaken.

Om de overstromingsgevaargebieden af te bakenen, werden vier aanlegfactoren voor overstromingen in kaart gebracht en gecombineerd: een eerste met betrekking tot de relatieve hoogte ten opzichte van de valleibodems, een tweede ten opzichte van de “topografische vochtigheid” (index die topografie en hydrologische processen aan elkaar koppelt), een derde ten opzichte van de gedraineerde verstedelijkte oppervlakte (waaronder ook de ondoorlaatbaarheidsgraad van de bodem) en een vierde met betrekking tot de bodem. Het verkregen resultaat werd gekruist met de overstromingsdossiers die worden aangegeven aan het Rampenfonds (1992-2009): het Fonds informeert inderdaad over de intensiteit van de overstroming. Vervolgens werd de perimeter van de gevarenzones vastgelegd. De gevaarkaart werd vervolgens tweemaal gevalideerd: door de vergelijking met andere gegevensgroepen (DBDMH, Vivaqua) over overstromingen die zich hebben voorgedaan tussen 1992 en 2012 en nadien via aftoetsing door experten. Er werden ook sommige nabehandelingen toegepast waarbij rekening gehouden werd met de opmerkingen van de gemeentediensten die een goede kennis hebben van hun terrein. Hierbij verduidelijken we verder dat de bescherming die openbare kunstwerken bieden (stormbekkens en beschermingsdijken) geïntegreerd werd en er toe heeft helpen bijdragen om de intensiteit van het gevaar op de betrokken plaatsen af te zwakken. Voor gedetailleerde informatie over de opmaakmethode van de kaart, kan de lezer de methodologische fiche die betrekking heeft op deze kaart raadplegen.

Overstromingsgevaarkaart
Bron: Leefmilieu Brussel, versie 2013

Nota : Kaart precies tot het 10.000e
Zie ook de kaart van het WBP2 waarop de historische overstromingen opgetekend staan (gegevens afkomstig van het Rampenfonds (1999-2009), van DBDMH (1997-2009) en van VIVAQUA (1992-2012)).

Overstromingsgevaarkaart

De alluviale vlakte van de Zenne bevat het grootste deel van de oppervlakte die als potentieel overstromingsgevaargebied geklasseerd is.
Bij lezing van de kaart valt er een eerste vaststelling op: de potentiële overstromingsgevaargebieden lijken rechtstreeks gekoppeld aan de aanwezigheid van het huidige, of zelfs historische, hydrografisch netwerk (zoals in de Maalbeekvallei). En dit terwijl de eerste overstromingsoorzaak niet de overstort van waterlopen is maar te maken heeft met het rioleringsnet. Deze vaststelling is echter niet verrassend aangezien de valleibodems bevoorrechte afvloeiingsassen en samenloopassen zijn van het afvloeiwater en er ook veel afvalwatercollectoren zijn ingeplant.
Bovendien beïnvloedt het reliëf logischerwijze rechtstreeks de reikwijdte van het mogelijk overstromingsgevaargebied. Een relatief platte valleibodem wordt over het algemeen gekenmerkt door een groot overstroombaar gebied: dit is wat men vaststelt voor de alluviale vlakte van de Zenne (de grootste van het grondgebied) of voor die van Linkebeek. De Woluwevallei daarentegen, die meer ingekapseld is, heeft een smaller mogelijk overstromingsgevaargebied.
De ondoorlaatbaarheid van de bodems speelt ook een belangrijke rol. Een valleibodem die een hoofdzakelijk groene oppervlakte draineert waar het water op natuurlijke wijze insijpelt, zal a priori niet getroffen wordt door een overstroming. Voorbeelden daarvan zijn stroomopwaarts gelegen stroomgebieden van de Molenbeek (aanwezigheid van het Laarbeekbos), van de Neerpedebeek en van de Vogelzangbeek. En deze vaststelling geldt ook wanneer er aanzienlijke hellingen bij de gedraineerde oppervlakten zijn zoals in het stroomopwaarts gelegen stroomgebied van de Woluwe of van zijn zijrivier, de Roodkloosterbeek dankzij de aanwezigheid van het Zoniënwoud. Een valleibodem daarentegen die sterk ondoorlaatbaar gemaakte oppervlakten draineert ligt in een gevarenzone. Dit geldt voor het westelijk deel van de vijfhoek zoals de vallei van de Maalbeek. Het feit dat de waterloop van de Maalbeek gewelfd is versterkt ongetwijfeld dit fenomeen.
Op sommige plaatsen is de bescherming die de stormbekkens bieden” “zichtbaar”, zoals in de alluviale vlakte van de Zenne. Zo doet het gebruik van de oude tunnelkokers van de Zenne als stormbekkens in de vijfhoek dienst als bescherming van het stadscentrum: het centrum staat geklasseerd als gebied met een klein gevaar op overstroming terwijl het gevaar zonder die bescherming groot zou zijn. Hetzelfde geldt voor het overstromingsgevaargebied in Vorst, dankzij de stormbekkens van Baeck-Merill en van Audi.

21% van de gewestelijke oppervlakte bevindt zich in gevaargebied en 5% in een gebied met groot of middelgroot overstromingsgevaar.

Potentieel ligt 1% van het gewestelijk grondgebied in een gebied met groot overstromingsgevaar dat dus recurrent getroffen wordt door een overstroming, minstens eenmaal om de tien jaar. En 4% van het grondgebied ligt in een gebied met middelgroot overstromingsgevaar, dat dus ongeveer om de 25 tot 50 jaar getroffen wordt door een overstroming. Voor de bewoners en uitbaters die in deze zones wonen (vooral in het gebied met groot overstromingsgevaar) dient men zich dus te wapenen en te beschermen tegen de overstromingen. Het gebied met klein overstromingsgevaar dekt 16 % van de gewestelijke oppervlakte. Laten we niet vergeten dat de betrokken overstromingen zich normaal gezien slechts eenmaal om de honderd jaar voordoen.

Percentage van de oppervlakte van het gewestelijk grondgebied dat gelegen is in de gevaarzone voor overstromingen
Bron : Leefmilieu Brussel, op basis van de overstromingsgevaarkaart versie 2013

Nota: Elk overstromingsgevaargebied bevat bijna 30% niet-urbaniseerbare oppervlakten (spoorwegen, groenruimtes, waterzones).

Percentage van de oppervlakte van het gewestelijk grondgebied dat gelegen is in de gevaarzone voor overstromingen
Het onderzoek van de bestemming van de percelen volgens het Gewestelijk Bodembestemmingsplan (GBBP) toont dat 20% van de verstedelijkte of urbaniseerbare gewestelijke oppervlakte in gevaargebied ligt. Het gaat voor de helft om woongebieden, voor een kwart om sterk gemengde gebieden en voor een laatste kwart om economische activiteitengebieden (inclusief stedelijke industriegebieden, kantoorgebieden, uitrustingen van algemeen belang of openbare dienst).
Hierbij dient men te verduidelijken dat de overstromingsgevaarkaart geen informatie bevat over de mogelijks bereikte waterstanden bij een overstroming: vandaag bestaat er geen gecombineerd hydraulisch model van de rioleringsnetten en de hydrografische netten waarmee het mogelijk zou zijn om die te berekenen. De bij de vorige overstromingen in de ondergelopen gebieden waargenomen waterstanden bedroegen altijd ongeveer enkele tientallen centimeter en bleven over het algemeen onder het niveau van 1 meter (ten opzichte van het grondniveau). In zekere zin kunnen ze als “matig” bestempeld worden in vergelijking met andere streken of landen. De impact kan wel voelbaar zijn voor kelders of ondergrondse infrastructuren (bv.: metrostations, tunnels).

Een evolutief instrument

De overstromingsgevaarkaart is een evolutief instrument dat regelmatig moet worden aangepast. Deze update kan noodzakelijk blijken als een toekomstige overstroming gebieden die niet als gevaargebied geregistreerd staan zou doen onderlopen of als er in de situatie op het terrein belangrijke, positieve of negatieve, wijzigingen zijn opgetreden (bestemming en belangrijke bodemafdekking van de bodem, ingebruikneming van een nieuw stormbekken, realisatie van een inrichting voor alternatief beheer, enz.). Het kan interessant zijn om deze update uit te voeren wanneer er nieuwe gegevens beschikbaar zijn, zoals hydraulische simulaties voor het hydrografisch netwerk en/of voor het rioleringsnet. De volgende bijwerking van de kaart is voorzien in 2016, gelet op het feit dat de minimumupdate-cyclus die in de regelgeving is voorzien 6 jaar bedraagt.
Daarnaast is iedere optekening van door overstromingsepisodes getroffen gebieden nuttig voor de verdere validering van de kaart. Het gaat om een reële behoefte want, zoals hierboven vermeld, dekken de vandaag beschikbare historische gegevens slechts een vijftiental jaar waarnemingen. Hiervoor zal er regelmatig een beroep gedaan worden op de interventiegegevens van de brandweerdiensten. Bovendien werd er een instrument voor gegevensinzameling ontworpen voor de gemeenten, Vivaqua en Leefmilieu Brussel waarmee men waarnemingen met betrekking tot de overstroomde gebieden (inclusief de mogelijkheid om deze af te bakenen op een kaart), de vermoedelijke oorzaak van de overstroming, een foto van de bereikte waterstand, enz. zal kunnen invoeren. Particulieren en verenigingen die geen toegang hebben tot dit instrument kunnen altijd hun waarnemingen via hun gemeente of via Vivaqua indienen.

Beoordeling van de overstromingsrisico's

De overstromingsgevaarkaart heeft gediend om het overstromingsrisico voor bepaalde doelgroepen (inwoners, werknemers, gebouwen, gevoelige instellingen, bepaalde economische activiteiten of openbare plaatsen, bebouwd erfgoed of milieu-erfgoed...) te omschrijven. Deze risicobeoordeling berust hoofdzakelijk op de lokalisatie van de doelgroepen, waarbij het doel als "risicovol" gekenmerkt wordt wanneer het zich geheel of gedeeltelijk in gevaargebied bevindt. De beoordeling houdt geen rekening met beschermingsmaatregelen tegen overstromingen die eventueel op plaatselijk vlak worden ingevoerd, met uitzondering van de stormbekkens (zoals men weet houdt de overstromingsgevaarkaart daar rekening mee). Voor meer details wordt de lezer verzocht om de interactieve overstromingsrisicokaart op de site van Leefmilieu Brussel te raadplegen en om te verwijzen naar de methodologische fiche die erbij hoort.
De potentiële blootstelling van de bevolking aan de overstromingen werd ingeschat in functie van elke gevarenklasse: in aantal inwoners en werknemers die potentieel getroffen zouden worden op het niveau, respectievelijk, van de wijken en de gemeenten. Rekening houdend met de hypothesen voor de verdeling van de individuen in de gebouwen en met de niet-inachtneming van de lokale beschermingsmaatregelen (uitgezonderd stormbekkens) gaat het wel degelijk om een potentiële blootstelling van de individuen en niet om een reële blootstelling. Bijna één inwoner op drie en iets minder dan één werknemer op twee worden potentieel getroffen door de overstromingen. Maar de grote meerderheid van hen zou zich in een gebied met een klein overstromingsgevaar bevinden. Toch bevindt zich 6% van de inwoners en 7% van de werknemers potentieel in een gebied met een middelgroot overstromingsgevaar; 3% van de inwoners en 4% van de werknemers bevinden zich in een gebied met een groot overstromingsgevaar.

Aantal potentieel getroffen inwoners en kwetsbare instellingen per overstromingsgevaar op schaal van het Gewest
Bron : Leefmilieu Brussel, op basis van de overstromingsrisicokaarten versie 2013

De brongegevens voor de bevolking dateren van 2010 (BISA voor het aantal inwoners, databank SITEX voor de verdeling van de woningen), die voor de werknemers van 2011 (RVA), die voor de scholen en de ziekenhuizen van 2013 (UrbMap), die voor de rusthuizen van 1999 (databank SITEX). De onderwijsinstellingen die gelegen zijn op eenzelfde site (zelfde adres) werden geboekt als een enkele school.

Aantal potentieel getroffen inwoners en kwetsbare instellingen per overstromingsgevaar op schaal van het Gewest
Op het vlak van economische activiteit kunnen de getroffen sites bedrijven of industrieën zijn. Zoals hierboven reeds gesteld, vertegenwoordigen de gebieden bestemd voor economische activiteit of sterk gemengde locaties die in overstromingsgevaargebied gelegen zijn, elk 5% van het gewestelijk grondgebied. Maar als men meer in het bijzonder naar de oppervlakte van de industriezones kijkt, stelt men vast dat dit percentage veel hoger is (37% ). Het overblijvende industriebekken van het BHG bevindt zich inderdaad vooral op de as Zenne-Kanaal.
Voor sommige industrievestigingen komt er bij de economische schade nog een risico op incidentele milieuvervuiling door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen op de site of door de slechte werking van de installaties (bijvoorbeeld in de efficiëntie van het zuiveringsproces in de afvalwaterbehandelingsstations). Het gaat hier om 6 IPPC-installaties (van de 11 installaties in het BHG) (naar de naam van de richtlijn betreffende de geïntegreerde preventie en bestrijding van de verontreiniging), om de 4 Seveso-sites en de 2 waterzuiveringsstations. Al deze sites zijn ingeplant in de alluviale vlakte van de Zenne.
Het beschermingsgebied voor drinkwateronttrekking van het Terkamerenbos en het Zoniënwoud en het Netwerk Natura 2000 bevindt zich hoofdzakelijk buiten het gevaargebied, maar dit geldt niet voor sommige Natura 2000-sites: bij overstroming kunnen deze sites onderlopen met verontreinigd water door overstort van het rioleringsnet of door besmet afvloeiingswater.
Er werden ook risicokaarten opgesteld om de negatieve gevolgen op de mobiliteit door de overstroming van delen van het transportnet (wegennet, spoornet, tram of metronet), treinstations, metrostations of overdekte parkings) te beoordelen. Het is geen grote verrassing dat de meest gevoelige infrastructuren de ondergrondse delen en de valleibodems zijn.
Er werd ook een risicobeoordeling uitgevoerd van geklasseerde monumenten en landschappen en van de kwetsbare infrastructuren zoals brandweerkazernes, politieposten of hoogspanningscabines.

Zich beter wapenen tegen de overstromingen

Zowel de overstromingsgevaarkaart als de overstromingsrisicokaart zijn instrumenten om de bevolking te sensibiliseren en bewust te maken van de strijd tegen overstromingen. Zoals in het spreekwoord "een verwittigd man is er twee waard", hebben de potentieel getroffen inwoners, ondernemers of industriëlen er alle belang bij om beschermingsmaatregelen te nemen voor hun gebouw, wanneer dat mogelijk is. Hiervoor biedt de overstromingscontroledienst van Vivaqua sinds 2012 begeleiding aan inwoners die problemen hebben met opstijgend water in hun woning. Bovendien geeft Leefmilieu Brussel in 2016 een brochure uit voor inwoners over goede praktijken voor, tijdens en na een overstroming.
Om echt doeltreffend te zijn, moeten deze maatregelen die genomen worden op individueel niveau gepaard gaan met collectieve maatregelen. Veel maatregelen zijn opgenomen in het overstromingsrisicobeheerplan(opgenomen in het waterbeheerplan, dat momenteel wordt goedgekeurd), de opvolger van het regenplan. Deze maatregelen dekken de hele beheercyclus van een overstroming af: preventie, bescherming, voorbereiding, crisisbeheer en herstel. Een alarmsysteem en crisisbeheersysteem zouden zo ook tot stand moeten komen. Bovendien ligt de klemtoon op de preventie-as met als hoofddoelstelling: de natuurlijke watercyclus herstellen (waterinfiltratie, buffering van het water in de natuurlijke wachtbekkens, loskoppeling van regenwater / afvloeiingswater van het rioleringsnet, enz.).
 

Date de mise à jour: 30/05/2020