Vous êtes ici

Chemische kwaliteit van het oppervlaktewater

De kwaliteit van het Zennewater, van het Kanaal en in mindere mate van de Woluwe is onderhevig aan een sterke druk door toedoen van menselijke activiteiten en lozingen, eigen aan een stedelijke omgeving en het industrieel verleden van het Gewest. De aanwezigheid van micropolluenten die schadelijk zijn voor het milieu en in het bijzonder van alomtegenwoordige polluenten (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) en van metalen brengt het bereiken van een goede chemische kwaliteit in de Zenne, het Kanaal en zelfs de Woluwe in het gedrang.

33 prioritaire stoffen (waaronder 15 gevaarlijke) en 5 andere groepen polluenten onder de loep

Micropolluenten zijn chemische stoffen die giftig kunnen zijn voor ecosystemen of zelfs voor de menselijke gezondheid, ook in erg geringe concentraties. De aard en de herkomst van deze verontreinigende stoffen varieert sterk: pesticiden, koolwaterstoffen, zware metalen, polychloorbifenylen (PCB’s), geneesmiddelen en hormonen, …

Van deze stoffen worden er sommige door de Europese Commissie als bijzonder onrustwekkend aangemerkt voor het watermilieu en in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW) als "prioritair" aangemerkt omwille van de hoge concentraties waarin ze in het oppervlaktewater voorkomen of omwille van hun bijzonder gevaarlijke en persistente aard (toxiciteit, remanentie- en bioaccumulatievermogen in het leefmilieu). De lijst van 33 prioritaire stoffen (of groepen van stoffen) en 5 groepen van bijkomende polluenten (zie bijlagen 1 en 2 van het BBHG van 2011) werd uitgebreid naar 12 nieuwe prioritaire substanties in 2013. De evaluatie van de “chemische toestand” van de oppervlaktewaterlichamen berust op deze lijst van polluenten conform de voorschriften van de Kaderrichtlijn water (KRW).

133 andere als "gevaarlijk" aangemerkte stoffen moeten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ook opgevolgd worden en aan milieukwaliteitsdoelstellingen beantwoorden (zie bijlage 4 van het BBHG van 2011).

Controle van micropolluenten in het water, de waterbodems en de biota

De lidstaten moeten zorgen voor een monitoring van deze polluenten – die doorgaans maar in geringe mate worden geëlimineerd ter hoogte van de zuiveringsstations – en maatregelen treffen om de lozing, emissies en verliezen ervan geleidelijk aan te beperken tot zelfs te verbieden. Met dat doel voor ogen implementeert het Brussels Gewest sinds 2001 programma’s voor de monitoring van de chemische kwaliteit van zijn oppervlaktewater, die op de analyse van de concentraties van bijna 200 parameters berusten (zie hoofdstuk 5 van WBP2).
Er zijn vijf monitoringlocaties sinds het begin van de metingen: de punten waar de drie aangeduide oppervlaktewaterlichamen het Gewest binnenkomen en verlaten (Zenne, Kanaal en Woluwe). In 2014 werd de monitoring uitgebreid naar nieuwe meetsites: op de loop van deze drie waterlichamen maar ook op sommige van hun zijrivieren. Aangezien de gegevens die op deze nieuwe plaatsen werden ingezameld nog weinig representatief zijn voor hun kwaliteit, worden in deze fiche enkel de gegevens op de vijf "historische" sites onderzocht.

Naast de waterkolom werd er sinds 2013 voor bijna 150 parameters een driejaarlijkse controle in de waterbodems (slib) ingevoerd. Een vorige meetcampagne in het slib vond plaats in 1993-1995: deze dekte slechts een derde van de in 2013 onderzochte parameters maar laat wel toe om bepaalde tendensen tussen de twee campagnes te vergelijken. De doelstelling van deze controle is om zich ervan te verzekeren dat er geen accumulatie ontstaat van bepaalde lipofiele polluenten in het slib (aangezien de polluenten die vastzitten in de waterbodems soms naar de waterkolom worden verwijderd).

Daarnaast is een jaarlijkse controle van de aanwezigheid van polluenten in de weefsels van de levende waterorganismen (biota) - hoofdzakelijk vissen en weekdieren - sinds kort verplicht (3 parameters sinds 2011 en 8 andere vanaf 2016). Deze polluenten hebben als bijzondere eigenschap dat ze zich omwille van hun erg hydrofiele of lipofiele aard opstapelen in de biota. Er werden drie parameters onderzocht in de jonge karpers in 2013: hexachlorobenzeen, hexachloorbutadieen en kwik. Laat ons echter verduidelijken dat de analysemethodes vaak nog niet genormaliseerd zijn of op punt staan: de grootste omzichtigheid is dus geboden bij de interpretatie van de resultaten.

Milieudoelstellingen in constante evolutie

De kwaliteitsdoelstellingen die sinds 2011 van kracht zijn voor de polluenten in de waterkolom en de biota zijn de milieukwaliteitsnormen (MKN). Voor sommige polluenten (metalen, minerale oliën) zijn basiskwaliteitsnormen van toepassing. Deze normen hebben betrekking op de jaargemiddelden van de monsters en, voor sommige prioritaire gevaarlijke stoffen, op maximum toelaatbare concentraties voor elk monster (zie methodologische fiche).

In 2013 werden de MKN van 7 prioritaire stoffen herzien (met ingang vanaf eind 2015). Zoals voorheen vermeld, werden ook 12 nieuwe prioritaire stoffen (waarvan de helft is aangemerkt als "gevaarlijk") bepaald, waarvan de normen eind 2018 in werking treden. Bovendien werd de controlelijst van de biota aangevuld met 5 andere polluenten.

Hoewel de meeste wijzigingen die worden aangebracht door de richtlijn van 2013 niet van toepassing zijn op de periode die gedekt wordt door deze staat van het milieu, moeten ze toch in acht genomen worden met het oog op de toekomstige beantwoording aan de normen en het in kaart brengen van de tendensen. Daarom worden ze ook geanalyseerd.

Een voldoende chemische kwaliteit voor een groot aantal polluenten

De meeste van deze 35 (+ 5) prioritaire Europese stoffen vormen geen enkel probleem voor de drie vastgelegde oppervlaktewaterlichamen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: het Kanaal, de Zenne en de Woluwe. Vaak worden ze zelfs niet eens gedetecteerd in de waterkolom en/of in de slib en biota (zie hoofdstuk 1 van het ontwerp van WBP2). Over het algemeen is de Zenne de meest besmette waterloop. Omgekeerd lijkt de Woluwe relatief gevrijwaard, met uitzondering echter van de alomtegenwoordige polluenten zoals de Polycyclische Aromatische Koolwaterstofen (PAK).

Hetzelfde geldt voor de overgrote meerderheid (meer dan 90%) van de op het niveau van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest relevant bevonden chemische stoffen (zie bijlagen 3 en 4 van het BBHG).

Hierbij wijzen we erop dat sommige polluenten bepaalde jaren niet beoordeeld konden worden (geen metingen) of niet vergeleken konden worden met de kwaliteitsdoelstellingen door de onnauwkeurigheid van de onderzoeksmethodes (hogere aantoonbaarheidsgrens dan de MKN).

Het veralgemeende probleem van de PBT-stoffen en in het bijzonder van de PAK

De Europese Unie heeft een lijst opgesteld van acht persistente, bioaccumuleerbare en toxische stoffen (PBT) of stoffen die zich zo gedragen (zie artikel 8bis van richtlijn 2013/39/EU). Onder deze producten vallen ook PAK, kwik of nog dioxines. Hoewel ze niet op die lijst staan, behoren polychloorbifenylen (PCB) ook tot de familie van de PBT-polluenten. Ondanks de maatregelen die hiertegen genomen worden, kunnen deze stoffen langdurig in een aquatische omgeving gedetecteerd worden. Sommige stoffen hebben zelfs de bijzondere eigenschap dat ze over lange afstand getransporteerd kunnen worden; ze worden aangemerkt als alomtegenwoordig want alle milieu-dimensies (water, lucht, bodem, enz.) worden hierdoor getroffen.

Het is dan ook geen verrassing dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet ontsnapt aan deze besmetting die de grote meerderheid van de lidstaten van de Europese Unie treft. Het belangrijkste probleem op het vlak van de waterkolom betreft de PAK.

Met uitzondering van naftaleen, worden of werden de normen voor alle PAK die als prioritair of hiermee gelijkgesteld zijn aangemerkt (i.e. antraceen, fluoranteen, benzo(a)pyreen, som van benzo(b)- en benzo(k)fluoranteen, som van de benzo(ghi)peryleen en van indeno(123cd)pyreen), sinds 2001 overschreden. Dit heeft betrekking op de 3 waterlopen (de Zenne is het meest blootgesteld, de Woluwe het minst). De laatste jaren zijn de belangrijkste onderzochte PAK fluoranteen en benzo(a)pyreen in de Zenne, en dit zowel bij de jaargemiddelden als bij de maximum toegelaten concentraties. Als men de toekomstige normen van de richtlijn van 2013 in aanmerking neemt, wordt de balans nog zwaarder: zowel de lijst van polluenten, blootgestelde waterlopen als de frequentie van de overschrijdingen wordt langer.

Bovendien zijn 2 van de 8 als "gevaarlijk" aangemerkte PAK onrustwekkend: het acenafteen en het pyreen. We hebben sommige jaren in de Zenne overschrijdingen in acenafeen opgetekend, maar vooral in pyreen, soms in het Kanaal maar erg vaak in de Zenne.

Over het algemeen kadert de beantwoording aan de normen betreffende de PAK in een lang en ingewikkeld proces aangezien deze polluenten vooral voortvloeien uit diffuse bronnen. Volgens de inventaris van de emissies van 16 PAK voor het jaar 2010, vloeit 61% van de aanlevering voort uit diffuse bronnen: 48% uit transport (slijtage van banden en van openbare wegen, onvolledige verbrandingen) en 13% uit atmosferische depositie. Aangezien de PAK lipofiel zijn, worden ze voor 98% vastgehouden op het niveau van het slib van waterzuiveringsstations. Hun aanwezigheid in het water vloeit voort uit de lozingen op het niveau van stormoverlaten (35%), van de afdeling regenweer van de waterzuiveringsstations (29%) en in mindere mate van het afvalwater van de afgewaterde zones die niet aangesloten zijn op de waterzuiveringsstations (15%). In de waterlopen verbinden de PAK zich met de waterbodems en zijn ze moeilijk afbreekbaar. Bewijs hiervan is hun aanwezigheid in het slib (ongeacht of het tijdens de campagne in het midden van de jaren 1990 of die van 2013 was), maar hun concentratie zou stabiel zijn.

Bronnen (links) en trajecten (rechts) van de netto-emissies van 16 PAK (lijst EPA) naar het oppervlaktewater in 2010
Bron: Leefmilieu Brussel, uittreksel van het ontwerp van het tweede waterbeheersplan (2016-2021), gegevens uit de inventaris van de emissies naar het oppervlaktewater (2010)
Jaarlijkse netto-emissies van de 16 PAK van de lijst EPA naar het oppervlaktewater in 2010: 133 kg.
 

Bronnen (links) en trajecten (rechts) van de netto-emissies van 16 PAK (lijst EPA) naar het oppervlaktewater in 2010

Met betrekking tot polychloorbifylenen (PCB) worden er in 2013 in het water van de Zenne en van het Kanaal, zowel bij het binnenkomen als bij het verlaten van het grondgebied, en in de modder, frequent te hoge waarden opgemeten. En dit ondanks de goedkeuring van het gewestelijk plan voor de verwijdering en de reiniging van de PCB-PCT in 1999, en, in 2005, van een programma maatregelen om deze vervuiling te bestrijden. Deze hoge concentraties vloeien waarschijnlijk voort uit een historische vervuiling en uit het vrijkomen van deze extreem persistente polluenten, door resuspensie vanaf besmette waterbodems, vooral bij zware onweders.

De onduidelijkheid van de gegevens laat jammer genoeg niet toe om alle PBT-stoffen in de waterkolom te beoordelen: dit is onder meer het geval van de gebromeerde difenylethers, van de tributyltinverbindingen waarvan de aantoonbaarheidsgrenzen te hoog blijken met betrekking tot de norm. Maar rekening houdend met de voordien beschreven bijzondere eigenschappen, is er een hoge waarschijnlijkheid dat alle polluenten aanwezig zijn in een of meerdere milieu-dimensies op gewestelijk niveau.

Andere problematische stoffen: de metalen

De hoeveelheid metalen die worden uitgestoten naar de waterlopen en het Kanaal zijn verre van verwaarloosbaar. De diffuse bronnen dragen op doorslaggevende wijze bij tot de emissies van zink (Zn) (65% voor de corrosie van de bouwmaterialen van de bebouwde oppervlakte en 21% voor het verkeer) en in een mindere mate tot emissies van lood (Pb). Anderzijds zijn de bedrijven verantwoordelijk voor het grootste deel van de aanlevering van andere metalen zoals nikkel (Ni), en Cadmium (Cd) (respectievelijk 60% en 71%). 

Bronnen van de netto-emissies van 4 metalen naar het oppervlaktewater in 2010
Bron: Leefmilieu Brussel, uittreksel van het ontwerp van het tweede waterbeheersplan (2016-2021), gegevens uit de emissie-inventaris naar het oppervlaktewater (2010)
 

Bronnen van de netto-emissies van 4 metalen naar het oppervlaktewater in 2010

De netto emissies naar de Zenne zijn ongeveer 8 maal groter dan die naar het Kanaal. Aangezien de metalen minder goed gezuiverd of vastgehouden worden in de zuiveringsstations, vertegenwoordigen de effluenten van de RWZI inderdaad de belangrijkste aanvoerweg van metalen naar de Zenne.
Hoewel er tussen de twee campagnes een dalende evolutie wordt vastgesteld in het slib (Cd, Pb, Hg en Ni), overschrijden de gemeten concentraties in het water vaak de basiskwaliteitsnormen, vooral voor de opgeloste verbindingen (zoals voor opgelost zink, opgelost arseen, opgelost koper) en zelfs de milieukwaliteitsnormen. En het probleem wordt nog erger omdat sommige MKN vanaf eind 2015 strenger worden: de beantwoording aan de normen wordt problematisch voor de Zenne en het Kanaal, zelfs de Woluwe. Bij deze resultaten hoort echter enig voorbehoud met betrekking tot de kwaliteit en de precisie van de analyses, meer in het bijzonder in vergelijking met de vastgestelde verschillen met de opgemeten waarden in Vlaanderen, stroomopwaarts en stroomafwaarts van het Gewest.

Andere polluenten die aandachtig moeten worden opgevolgd

  • Betreffende de pesticiden die op de lijst van de prioritaire polluenten en op die van de andere polluenten voorkomen, werd altijd voldaan aan de normen met betrekking tot de jaargemiddelden en tot de maximum toegelaten concentraties. Er werden in 2008 eenmalige metingen boven de vastgelegde drempelconcentratie waargenomen voor het jaargemiddelde voor diuron (Zenne "in" en "out", Kanaal "in") en isoproturon (Zenne "in" en "out"). De besmetting door pesticiden die wordt vastgesteld in het grondwater van het Gewest wordt dus niet eveneens vastgesteld in het oppervlaktewater (zie "Chemische toestand van het grondwater").
  • De jaarlijkse gemiddelde concentraties in DEHP (een type ftalaat dat als weekmaker wordt gebruikt) hebben slechts een enkel jaar de norm overschreden (in 2007: Zenne "in" en "out", Kanaal "in") op de 6 jaar waarvoor de metingen van deze polluent een evaluatie toelaten die representatief is. Het lijkt erop dat er in de Zenne en het Kanaal een verbetering aan de gang is tussen 2012 en 2014.
  • De minerale oliën, ofschoon niet onderhevig aan de beantwoording aan een MKN, moeten van nabij opgevolgd worden want ze worden in grote hoeveelheden uitgestoten op het gewestelijke grondgebied (32,8 ton bruto emissie waarvan 8,7 ton netto emissie in de Zenne aan en 1,37 ton in het Kanaal), door het weg- en spoorverkeer (gebruikte oliën op het niveau van de wissels). Het terrein van Schaarbeek-Vorming zou bijvoorbeeld een significante bron zijn voor de Zenne. Ze belanden in het Kanaal via de overlaten (60%) en rechtstreekse lozingen (34%).
  • De concentraties gebromeerde difenylethers in de waterkolom kunnen op dit moment niet voldoende nauwkeurig worden vastgesteld maar hun aanwezigheid in het slib is bewezen. Deze stoffen zijn daar waarschijnlijk beland via de lozingen van het rioleringsnet (tot in de jaren 2000 waren ze aanwezig in het huisafvalwater) en via overstorten bij onweer.
  • De nonylfenolen, sinds kort onrustwekkende stoffen, vertonen een overschrijding van het toegelaten jaargemiddelde op het Kanaal ("out") in 2013 en 2014 en op de Zenne ("out") in 2014 en een overschrijding van de maximum toegelaten concentratie op de Zenne ("out") in datzelfde jaar.
  • Ook andere parameters moeten aandachtig opgevolgd worden zoals chloriden (waarvan de hoge waarden die, vooral bij het verlaten van het Gewest, in de Zenne worden waargenomen, in 2014 geleid hebben tot een overschrijding van de norm), of nog de niet-ionische oppervlakte-actieve stoffen die sommige jaren overschrijdingen veroorzaken. Bovendien lijken de concentraties cyanide, ondanks een onnauwkeurigheid van de metingen, bijzonder hoog in de Zenne en zouden ze de normen geregeld overschrijden bij het verlaten van het Gewest.

Hoe deze vervuiling efficiënt bestrijden?

Om de chemische verontreiniging van het leefmilieu en de waterlopen terug te dringen, worden er tal van preventieve en curatieve maatregelen van het waterbeheer plan 2010-2015 en van het toekomstige plan 2016-2021 getroffen of zal dit in de toekomst gebeuren: beheer van de milieuvergunningen (lozingsnormen, gebruik van de best mogelijke technieken, enz.), reglementering met betrekking tot de vluchtige organische stoffen, terugnameverplichting voor gebruikte solventen, beperking en vanaf 2019 verbod van het gebruik van pesticiden in de openbare ruimten, uitbaggering en ruiming van de waterlopen en vijvers, informatieverstrekking over en sensibilisering rond het gebruik van bepaalde producten, beperking van de lozing van vervuild afvloeiingswater in waterpartijen, enz. De verbetering van de kwaliteit van het Brusselse oppervlaktewater hangt bovendien ook af van de inspanningen die er stroomopwaarts van het Gewest worden geleverd.

De strijd tegen de alomtegenwoordige stoffen zoals de PAK kan niet beperkt blijven tot het waterbeheer alleen. Enkel een globaal beheer op Europees (of mondiaal) en grensoverschrijdend vlak ten opzichte van de verschillende milieubeleidsdomeinen (water, lucht, bodems,...) zou deze vervuiling kunnen indijken.

Date de mise à jour: 30/05/2020