Vous êtes ici

Emissie van primaire PM10

De primaire emissies van PM10 in het Brussels Gewest zijn sterk afgenomen sinds 1990, in het bijzonder tussen 1990 en 2006 (afname met 60%). Sindsdien heeft de uitstoot van PM10 zich gestabiliseerd.
In 2012 vormt de verwarming van gebouwen in de residentiële en de tertiaire sector de voornaamste bron van de lokale PM10-uitstoot : 55% van de directe emissies. De transportsector vertegenwoordigt 42% van de emissies van PM10 (vooral via de verbranding van diesel).

Context

Fijne stofdeeltjes, ook aangeduid als “PM10” (PM staat voor particulate matter), zijn partikels met een diameter kleiner dan 10 µm. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen primaire fijne deeltjes die rechtstreeks door natuurlijke (bijvoorbeeld bodemerosie) of antropogene bronnen (verkeer, industrie, verwarming,...) worden uitgestoten, en secundaire fijne deeltjes die in de lucht ontstaan door chemische reacties tussen andere aanwezige polluenten.

De uitstoot van fijne deeltjes wordt behandeld in verschillende Europese richtlijnen in functie van hun emissiebron. De uitstoot is gereglementeerd omwille van de impact van deze deeltjes op de gezondheid; de gezondheidseffecten hangen samen met hun grootte (fijnere deeltjes dringen dieper in de luchtwegen door) en hun chemische samenstelling. De PM hebben eveneens gevolgen voor het milieu (het klimaat, de flora of het onroerend erfgoed).

Uitgestoten hoeveelheid PM10 per bron

In 2012 werd op het Brussels grondgebied zowat 541 ton primair PM10 uitgestoten.
In 2013 (waarvoor de emissiewaarden berekend werden op basis van een voorlopige versie van de regionale energiebalans), bedroegen deze emissies bijna 554 ton.
Volgens de gegevens van 2012, vormde de verwarming van gebouwen in de residentiële en de tertiaire sector de voornaamste bron van de plaatselijke PM10-uitstoot: 55% van de rechtstreekse emissies (respectievelijk 46 en 9% per sector). De transportsector vormt een andere belangrijke bron (42% van de emissies van PM10, vooral via de verbranding van diesel).

Sectorale uitsplitsing van de primaire PM10-emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2012)
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat

Het jaar 2012 werd hier geprivilegieerd gezien hiervoor de meest recente gegevens voorhanden zijn van een gevalideerde versie van de regionale energiebalans. De gegevens van het jaar 2013 werden namelijk berekend op basis van een voorlopige versie ervan.
De in 2015 gepubliceerde gegevens verschillen sterk van de voorheen gepubliceerde gegevens, ten gevolge van een herziening (verhoging) in de inventarissen van de emissiefactor door verwarming met hout in de residentiële factor. Deze hebben een belangrijke emissiefactor van fijne deeltjes, waardoor de resultaten sterk beïnvloed worden.

Sectorale uitsplitsing van de primaire PM10-emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2012)

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheid

De primaire PM10-uitstoot is sinds 1990 sterk gedaald, in het bijzonder tussen 1990 (1636 ton) en 2006 (690 ton, of een daling met 60% ten opzichte van 1990). Sindsdien hebben de PM10-emissies zich gestabiliseerd.

Primaire emissies van PM10 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 1990 en 2013
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat

Primaire emissies van PM10 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 1990 en 2013

De daling vóór 2006 kan verklaard worden door meerdere factoren.

  • De daling heeft zich voornamelijk voorgedaan in het domein van het wegverkeer: binnen dit domein daalde de uitstoot van 729 ton in 1990 naar 357 ton in 2005, ondanks de toename van het verkeer (volgens Statbel was er in die periode een toename met 7% van het afgelegde aantal kilometer binnen het BHG). De verklaring hiervoor moet gezocht bij de technologische verbetering van de motoren van de vrachtwagens en in mindere mate van de auto's (katalysatoren, EURO-normen,...).
  • De uitstoot door de verbrandingsoven kende tussen 2005 en 2006 een gevoelige daling door het aanbrengen van een rookgaswassingssysteem in 2006 (maar eveneens als gevolg van een methodologische wijziging door de herziening van de overeenstemmende emissiefactor..
  • De vermindering van de cokesproductie en vervolgens de sluiting van de cokesfabriek van Marly in 1993 liggen aan de basis van de gevoelige daling tussen 1990 en 2000 binnen de categorie “Overige”.
  • Tussen 2005 en 2006 is de daling van de emissies het gevolg van een gewijzigde berekeningsmethode voor de binnenscheepvaart (inbegrepen in de categorie “overige”).
     
Date de mise à jour: 26/10/2018