Vous êtes ici

Emissie van verzurende substanties (NOx, SOx en NH3)

Bijna 150 ton verzurende stoffen (tZeq) werden uitgestoten op het Brussels grondgebied in 2012, net zoals in 2013, waarvan 84% overeenkomt met NOx. In 2012 is het wegverkeer verantwoordelijk voor 59% van de regionale emissies van verzurende stoffen, en de verwarming van gebouwen (residentiële en tertiaire) voor 33%.
Tussen 1990 en 2013 daalden de totale emissies door menselijke activiteiten van verzurende en potentieel verzurende stoffen  met 57 %  in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Sinds 2006 respecteert het Gewest de voor 2010 door Europa opgelegde plafonds.

Context

Het fenomeen van de verzuring is aan de basis een natuurlijk verschijnsel (zwavelhoudende uitstoot van vulkanen, gas dat vrijkomt door de activiteit van bepaalde bacteriën in de bodem bij de afbraak van organisch materiaal, ...). Dit fenomeen greep echter verder om zich heen door de uitstoot van verzurende stoffen als gevolg van bepaalde menselijke activiteiten, voornamelijk verbrandingsprocessen (verwarming, wegverkeer, industrie, ...). De toegenomen impact van de mens heeft het probleem van verzuring van de bodem en van het oppervlaktewater verscherpt evenals de schade aan de vegetatie en aan bepaalde bouwmaterialen.

Zwaveldioxide SO2, stikstofoxide NOx en ammoniak NH3 zijn de drie voornaamste gassen die tot het fenomeen van verzuring bijdragen; met dien verstande dat NH3 slechts potentieel verzurend is naargelang de omstandigheden van het milieu (voor meer details verwijzen wij naar de methodologische fiche)

Uitgestoten hoeveelheid verzurende stoffen per bron

Zowel in 2012 als in 2013 werd op het Brussels grondgebied zowat 150 ton zuurequivalent (tZeq) uitgestoten, waarvan meer dan 84% overeenkwam met NOx.

Alleen al het wegvervoer nam 59% van de emissies van de verzurende en potentieel verzurende stoffen voor zijn rekening. In diezelfde jaren waren het wegtransport en de verwarming van gebouwen (residentiële en tertiaire) samen verantwoordelijk voor 92% van de uitstoot.

Sectorale uitsplitsing van de verzurende of potentieel verzurende emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2012)
Bron : Leefmilieu Brussel, Departement Planning lucht, energie en klimaat

Het jaar 2012 werd hier geprivilegieerd gezien hiervoor de meest recente gegevens voorhanden zijn van een gevalideerde versie van de regionale energiebalans. De gegevens van het jaar 2013 werden namelijk berekend op basis van een voorlopige versie ervan.

Sectorale uitsplitsing van de verzurende of potentieel verzurende emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2012)

Ter vergelijking: in 2012 waren in het Waalse Gewest de landbouw , het wegvervoer, de industrie en de residentiële sector de grootste uitstoters van verzurende of potentieel verzurende substanties [Indicateurs clés de l'environnement wallon, 2014]. Voor het Vlaams Gewest waren dat in 2013 de landbouw (42%), het transport (24%), de industrie (17%) en de energieproductie (9%) [MIRA,  maart 2015].
In de andere Gewesten zijn het wegvervoer en de verwarming naar verhouding dus minder belangrijke bronnen en vormen de landbouw en de industrie de belangrijkste; dit verschil valt te verklaren door het essentieel stedelijke karakter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheden

Tussen 1990 en 2013 daalde de uitstoot van verzurende en potentieel verzurende stoffen met 57 % (148 ton Zeq. in 2013 versus 344 ton Zeq. in 1990).
Verhoudingsgewijs kende SOx dus een sterkere daling dan NOx.

Evolutie van de verzurende of potentieel verzurende emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 1990 en 2013
Bron : Leefmilieu Brussel, Dpt Planning lucht, energie en klimaat* De gegevens van het jaar 2013 werden berekend op basis van een voorlopige versie van de regionale energiebalans. 

Evolutie van de verzurende of potentieel verzurende emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 1990 en 2013

De verklaring voor deze evolutie moet gezocht worden bij factoren die verschillen naargelang de substanties.

Wat SOx betreft, droegen volgende factoren bij tot de verminderde uitstoot:

  • ­ de daling van het zwavelgehalte in de voertuigbrandstoffen (vooral sinds 1996) en in de stookolie (beperkt tot 0,2 gewichtsprocent sinds 1989),
  • ­ het groeiend aandeel van aardgas in het totale brandstofverbruik, ten koste van de petroleumproducten,
  • ­ de productievermindering, gevolgd door de volledige sluiting van de Cokesfabriek van Marly in 1993,
  • ­ en de invoering van een rookwassingssysteem in de afvalverbrandingsoven – Brussel Energie (medio 1999).

De vermindering van de NOx-uitstoot houdt onder andere verband met:

  • ­ de productievermindering in 1990, gevolgd door de sluiting van de Cokesfabriek van Marly in 1993,
  • ­ de installatie van een rookgaswassingssysteem (DéNOX) op dezelfde verbrandingsoven van Neder-Over-Heembeek (2006),
  • ­ de betere motorprestaties dankzij de invoering van bepaalde Europese richtlijnen aangaande de uitstoot van verontreinigende stoffen door verschillende categorieën van voertuigen (“EURO-normen”),
  • ­ de veralgemening van katalysatoren op nieuwe voertuigen vanaf 1993 (deze onderwerpen de uitlaatgassen aan een nabehandeling zodra ze de motor verlaten wat specifiek bij benzinewagens tot een lagere NOx-uitstoot leidt). Het belang van de katalysator voor het verlagen van de NOx-uitstoot in het Brussels Gewest moet enigszins worden gerelativeerd, aangezien een katalysator pas na het doorlopen van een aantal kilometer zijn effect laat voelen op de uitstoot (bij een koude motor, bij het starten en tijdens het versnellen/vertragen is de katalysator geheel of gedeeltelijk ondoeltreffend). Deze factor speelt dus slechts mee voor langere trajecten. 

Tenslotte is de uitstoot van NH3 verwaarloosbaar, waardoor het moeilijk is om de geobserveerde tendensen te interpreteren.

Europese normen

De Europese richtlijn 2001/81/EG (de zogenaamde "NEC-richtlijn") legt onder meer nationale emissieplafonds op voor de verzurende luchtverontreinigende stoffen. Deze emissieplafonds bedragen voor België voor NOx en SOx respectievelijk 176 en 99 kton.

De interministeriële Milieuconferentie (IMC) van 16 juni 2000 heeft deze nationale plafonds opgesplitst in 3 regionale plafonds voor de vaste bronnen (degene die niet transport betreffen). Voor de mobiele bronnen werd een nationaal plafond behouden.

Door deze verdeling van de inspanning moet het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2010 volgende plafonds respecteren: de jaarlijkse uitstoot mag maximaal  1,4kton bedragen voor SO2  en 3 kton voor NOx (telkens voor de vaste bronnen), met andere woorden respectievelijk 0,04 en 0,07 ktZeq. Het Gewest heeft zijn doelstellingen bereikt.
Voor NH3 kreeg het BHG geen specifiek plafond opgelegd aangezien deze substantie veel minder doorweegt in de emissies.
 

Date de mise à jour: 26/10/2018