Vous êtes ici

Uw parking (professionnels)

a. De ventilatie
b. Het gebruik van de parking
c. De nooduitgangen en de toegangen
d. Het verkeer
e.  De markeringen en de bewegwijzering
f.  De brandbestrijdingsmiddelen en de voorzieningen tegen luchtverontreiniging
g. De verlichting en de verwarming

a. De ventilatie

Voertuigen stoten toxische en schadelijke verontreinigende stoffen uit, zelfs wanneer de motor is uitgeschakeld. Parkings moeten dus op natuurlijke of mechanische wijze worden geventileerd, volgens normen die afhangen van de categorie van de parking. 

categorie 1: parking met ten minste 75% van de plaatsen voor woningen, kantoren of gelijkgesteld; 
categorie 2: parking met meer dan 25% commerciële, openbare of gelijkgestelde parkeerplaatsen.

Luchtkwaliteit

  • Laat een studie uitvoeren naar de luchtkwaliteit in de parking door een bevoegd organisme. 

De studie van de luchtkwaliteit in de parking moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • De studie wordt uitgevoerd tijdens de periodes met maximale activiteit;
  • De meetpunten bevinden zich op de punten met de maximale emissie en op een hoogte van ten minste 1,5 m;
  • De duur van de metingen moet voldoende zijn om betrouwbare resultaten te verkrijgen;
  • De sondes gebruikt voor de meting van CO en NO2 voldoen aan de norm EN-50545-1 of gelijkwaardig.
  • De natuurlijke of mechanische ventilatie moet ervoor zorgen dat de atmosfeer in de parking nooit giftig of explosief zou kunnen worden. 

Vaste sondes meten de concentratieniveaus van CO en NO2.

De gemiddelde CO-concentratie mag niet hoger zijn dan:

  • 50 ppm, tijdens een meetperiode van 30 minuten; 
  • 90 ppm tijdens een meetperiode van 15 minuten; 
  • 120 ppm maximale concentratie bij de hoogste resolutie van de meetsonde.

De concentratie van NO2 mag niet hoger zijn dan:

  • 1 000 μg/m3 tijdens een meetperiode van 20 minuten;
  • 400 μg/m3 tijdens een meetperiode van 60 minuten.
  • Zuig nooit lucht uit de parkings aan voor de ventilatie van andere plaatsen dan technische lokalen die bij de parking horen.  
  • Zorg voor afzonderlijke ventilatie van nevenruimten als er mensen aanwezig zijn: toezicht- of exploitatielokalen.
  • Voer lucht van de parking niet af naar trappenhuizen, hallen, gangen, liftkokers of aangrenzende lokalen. 

Het lekdebiet van de deuren is ≤ 14 l/s voor een drukverschil van ∆P = 50 Pa.

  • Plaats de luchtafvoeropeningen op het dak. Indien dit niet mogelijk is, voer de verontreinigde lucht dan verticaal af, met een snelheid die voetgangers of omwonenden niet hindert.

Mechanische ventilatie

U moet uw parking mechanisch ventileren met een systeem dat lucht onttrekt.  

  • Installeer het ventilatiesysteem zodanig dat het gemakkelijk kan worden onderhouden.
  • Het ventilatiesysteem moet:
    • een volledige capaciteit hebben, berekend per niveau, ≥ 200 m3/u per parkeerplaats;
    • ervoor zorgen dat de lucht elke 3 uur wordt ververst.
  • Voor ventilatoren met een nominaal debiet van 20 000 m3/u die na 10 maart 2021 zijn geïnstalleerd, moeten een of meer specifieke elektrische meters worden geplaatst die het elektriciteitsverbruik van het volledige ventilatiesysteem van de parking kunnen meten. 

U moet het elektriciteitsverbruik van het ventilatiesysteem jaarlijks opnemen. Noteer het jaarlijkse verbruik en het verschil met het verbruik van het vorige jaar in het onderhouds- en controleregister.

  • Ventileer de parking zodanig dat de atmosfeer nooit toxisch of explosief wordt: de gemiddelde concentratie aan koolstofmonoxide blijft onder normale gebruiksomstandigheden < 90 ppm over een periode van 15 minuten.
  • Ontwerp het ventilatiesysteem zodanig dat een volledige verversing van de lucht in de parking verzekerd is en dat elke stagnatie van gassen, zelfs lokaal, vermeden wordt.
  • Voer de verontreinigde lucht verticaal af tegen een voldoende snelheid en op minstens 8 meter afstand van vensters of luchtopeningen.
  • Rust de ventilatiebuizen niet uit met een afsluitsysteem, met uitzondering van brandwerende systemen: brandwerende kleppen, zwelroosters.
  • De nieuwe ventilatoren hebben een variabele snelheid over een bereik van 50% van hun vermogen.
  • De ventilatiegroepen zijn voorzien van een identificatieplaatje waarop de naam van de fabrikant, het jaar van fabricage en de technische gegevens vermeld staan.

Inschakeling van het ventilatiesysteem

  • Vaste sondes meten de concentratieniveaus van CO en NO2

De sondes worden als volgt geplaatst:

  • op ten minste 1,5 meter hoogte;
  • op goed toegankelijke plaatsen;
  • verwijderd van elke storingsbron en beschermd tegen weer en wind en tegen rechtstreeks binnendringende lucht.

Bij een storing schakelt het ventilatiesysteem automatisch op maximale capaciteit in totdat het systeem is gerepareerd.

De oppervlakte die door een sonde wordt bestreken, is ≤ 400 m2.

  • Koppel het ventilatiesysteem aan een detectiesysteem voor de concentratie van CO en NO2

Deze evaluatie van de concentraties gebeurt per verdieping, op basis van het ogenblikkelijke gehalte aan CO en NO2 dat door elke sonde wordt gemeten. Zodra het gehalte de 50 ppm overschrijdt, start de ventilatie en stopt ze na minstens 15 minuten als het gehalte 50 ppm wordt bereikt.

Voor NO2 bedraagt de maximale concentratie 1 000 μg/m3.

  • Koppel het ventilatiesysteem ofwel aan de gebruiksuren van de parking, ofwel aan de opening van de deuren of de verlichting. 

Het is niet altijd nodig om permanent mechanisch te ventileren. Om redenen van energiebesparing verdient het de voorkeur dat het ventilatiesysteem op bepaalde tijdstippen, gedurende een bepaalde periode, automatisch wordt ingeschakeld.

Voor parkings van categorie 1 of kleine parkings van categorie 2 (max. 50 plaatsen) hebt u de keuze voor wat de inschakeling van het ventilatiesysteem betreft. Voor grote parkings van categorie 2 is het verplicht het ventilatiesysteem te koppelen aan een CO- en NO2-detectiesysteem.   

Categorie 1 –woningen 

Het ventilatiesysteem draait op volle toeren: 200 m³/u per parkeerplaats, op een van de volgende manieren:

  • Volgens een tijdschema dat rekening houdt met de uurroosters van de gebruikers en rationeel energiegebruik. De klok moet van een batterij voorzien zijn, zodat ze zelfs na een stroompanne blijft werken.
  • Automatisch, gedurende 15 minuten, na het sluiten van de deuren of na het uitschakelen van de lichten (gekoppelde systemen). Ventilatie kan alleen aan verlichting worden gekoppeld als de verlichting op een tijdschakelaar is aangesloten.

Categorie 1 – kantoren en gelijkgesteld

Het ventilatiesysteem draait op volle toeren: 200 m³/u per parkeerplaats, op een van de volgende manieren:

  • Volgens een tijdschema dat rekening houdt met de uurroosters van de gebruikers en rationeel energiegebruik. De klok moet van een batterij voorzien zijn, zodat ze zelfs na een stroompanne blijft werken.
  • Automatisch, gedurende 15 minuten, na het sluiten van de deuren of na het uitschakelen van de lichten (gekoppelde systemen). Ventilatie kan alleen aan verlichting worden gekoppeld als de verlichting op een tijdschakelaar is aangesloten.
  • Automatisch, gedurende 15 minuten, zodra een van de CO-detectorsondes een momentaan niveau van meer dan 50 ppm meet.

Afgezien van deze automatische activering door de CO-detectoren, moet de lucht ten minste eenmaal per dag volledig worden ververst.

Categorie 2 – winkels en openbare parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen

Het ventilatiesysteem draait op volle toeren: 200 m³/u per parkeerplaats, op een van de volgende manieren:

  • Volgens een tijdschema dat rekening houdt met de uurroosters van de gebruikers en rationeel energiegebruik. De klok moet van een batterij voorzien zijn, zodat ze zelfs na een stroompanne blijft werken.
  • Automatisch, gedurende 15 minuten, na het sluiten van de deuren of na het uitschakelen van de lichten (gekoppelde systemen). Ventilatie kan alleen aan verlichting worden gekoppeld als de verlichting op een tijdschakelaar is aangesloten.
  • Automatisch, gedurende 15 minuten, zodra een van de CO-detectorsondes een momentaan niveau van meer dan 50 ppm meet.

Afgezien van deze automatische activering door de CO-detectoren, moet de lucht ten minste eenmaal per uur volledig worden ververst.

Categorie 2 – winkels en openbare parkings met meer dan 50 plaatsen

De volledige capaciteit van het afzuigsysteem, berekend per verdieping, bedraagt ≥ 200 m³/u per parkeerplaats.

Tijdens de uren dat de parking in gebruik is, is de luchtafvoer minstens 60 m3/u per parkeerplaats.  Het mechanisch ventilatiesysteem zorgt voor deze vernieuwing als de natuurlijke ventilatie niet voldoende is.

Het ventilatiesysteem start zodra de luchtkwaliteit in de parking dit vereist. Dit wordt voor elke verdieping gemeten door de CO-detectorsondes. Het ventilatiesysteem is gekoppeld aan de detector en schakelt automatisch op vol vermogen in voor een periode van 20 minuten:

  • zodra het momentane niveau hoger is dan 90 ppm bij een van de sondes;
  • zodra de gemiddelde waarde van de verschillende sondes op dezelfde verdieping over een periode van 15 minuten meer dan 50 ppm bedraagt.

U moet de resultaten van de metingen registreren en gedurende ten minste 48 uur bewaren. Het detectietoestel of de detectiecentrale moet de overschrijdingen in zijn geschiedenis bewaren: u moet het jaarlijkse overzicht van de overschrijdingen gedurende 2 jaar bewaren.

Als de overschrijdingen frequent of regelmatig zijn:

  • laat uw detectie- en ventilatiesysteem onmiddellijk controleren;
  • noteer de resultaten van de controle en de eventuele werkzaamheden in uw onderhoudslogboek;
  • waarschuw de instantie die verantwoordelijk is voor uw vergunning of toelating (uw gemeente of Leefmilieu Brussel) als de overschrijdingen nadien nog vaak voorkomen en stel aanpassingen voor.

Opmerking: als u ventilatoren met een capaciteit van meer dan 20.000 m³/u gebruikt voor dagelijkse ventilatie, moet aan extra voorwaarden worden voldaan.

  • Installeer voor grote parkings van categorie 2 een doorlopend detectiesysteem voor CO en NO2

Voor nieuwe parkings van categorie 2 met meer dan 50 plaatsen is een CO- en NO2-detectiesysteem verplicht. 

Voor andere parkings wordt per geval beslist of een dergelijk systeem al dan niet moet worden opgelegd, waarbij de beslissing hoofdzakelijk wordt gebaseerd op de natuurlijke ventilatie van de parking en de voertuigbewegingen.

Neem voor het koolmonoxidedetectiesysteem (CO) de volgende aanwijzingen in acht:

  • Meet het gehalte koolstofmonoxide doorlopend door een installatie met vaste toestellen;
  • Plaats de sondes oordeelkundig, in voldoende aantal naargelang van de configuratie van de ruimte: maximaal 400 m2 per sonde;
  • Plaats de sondes op 1,50 m boven de vloer;
  • Plaats de sondes op gemakkelijk bereikbare plaatsen en
    • verwijderd van elke luchtstoringsbron: toegangsdeuren, openingen, afzuigers, pulsoren, …;
    • verwijderd van trillingen of snelle temperatuurschommelingen die het elektronische circuit kunnen beschadigen;
    • ten minste 2 meter van een hoek.
  • Bescherm de sonde tegen mechanische schade zonder de doeltreffendheid ervan te verminderen;
  • Leef de aanbevelingen van de fabrikant strikt na.
  • In het geval van een storing van het inschakelsysteem moet de mechanische ventilatie automatisch op maximaal vermogen in werking treden, tot de effectieve reparatie van het inschakelsysteem. 
  • Laat de mechanische ventilatie niet onnodig draaien om energie te besparen.

Natuurlijke ventilatie

Als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, kan natuurlijke ventilatie de mechanische ventilatie vervangen. 

Voor parkings met openingen is natuurlijke ventilatie voldoende als op elke verdieping van de parking de tegenover elkaar liggende gevels: 

Tussen de 2 gevels mogen belemmeringen aanwezig zijn indien, rekening houdend met een volledige bezetting van de parkeerplaatsen, het effectieve luchtstroomoppervlak ten minste gelijk is aan het voor de gevel vereiste oppervlak.

  1. niet meer dan 60 m uit elkaar liggen, over de gehele lengte; 
  2. zich op een afstand van ten minste 5 meter van externe obstakels bevinden, zoals naburige gebouwen of taluds enz. (horizontale afstand onder open hemel); 
  3. elk openingen hebben met een oppervlakte ≥ 1/6de van de totale muuroppervlakte; 
  4. de openingen gelijkmatig over de lengte van elk van de twee gevels zijn verdeeld.

Parkings van categorie 1: 75% van de parkeerplaatsen gereserveerd voor woningen en kantoren en 
Parking van categorie 2: < 50 parkeerplaatsen, natuurlijke ventilatie is voldoende als de openingen:

  1. een oppervlakte ≥ 0,15 m2 per parkeerplaats hebben; 
  2. een onderlinge afstand van maximaal 20 m hebben; 
  3. rechtstreeks of via een koker van maximaal 2 meter lengte met de buitenlucht in verbinding staan.  Als de koker langer is, moet de diameter worden verdubbeld.

Bestaande parkings van categorie 1 die niet over voldoende openingen beschikken en niet met mechanische ventilatie zijn uitgerust, natuurlijke ventilatie is voldoende als: 

het gaat om bestaande parkings waarvoor het ventilatiesysteem bij de bouw niet was voorzien of niet meer functioneert.

  1. er ten minste één opening aan elk uiteinde van de parkeerplaats is; 
  2. de oppervlakte van de openingen is ≥ 5% van de oppervlakte van de muren;
  3. er geen probleem met gasreuk is; 
  4. er een luchttoevoer is; 
  5. het CO-gehalte is ≤ het CO-gehalte buiten het gebouw aan het begin van het piekuur;
  6. de CO-pieken verdwijnen snel.

Gelijkvloerse ondergrondse parkings, natuurlijke ventilatie is voldoende als:

  1. de openingen een opening van ≥ 0,15 m2 per parkeerplaats hebben;
  2. de openingen in de plafonds en muren niet meer dan 20 meter van elkaar verwijderd zijn;
  3. de openingen rechtstreeks of via een koker van ≤ 2 meter lengte met de buitenlucht in verbinding staan.

Indien de parking 2 tussenverdiepingen heeft, beschouwt men twee opeenvolgende tussenverdiepingen als één verdieping.

Nieuwe parkings die niet aan de standaard ventilatie-eisen voldoen:

  1. Een modelvorming van de ventilatie moet beoordelen of aan de normen voor de luchtkwaliteit wordt voldaan 

    De modelvorming:

    • wordt uitgevoerd door een deskundige;
    • gebruikt erkende software waarvan de berekeningsmethode beschikbaar is;
    • voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen.
  2. De vergunninghouder legt de bevoegde instantie binnen drie maanden nadat de parking in gebruik is genomen, een luchtkwaliteitsstudie voor waaruit blijkt dat aan de luchtkwaliteitsnormen wordt voldaan.

Luchtafvoer

  • De verontreinigde lucht wordt verticaal afgevoerd op minstens 8 meter afstand van vensters of luchtopeningen en dat tegen een voldoende snelheid om de buurt of voetgangers niet te hinderen. 
    Voor nieuwe parkings: de lucht moet via het dak worden afgevoerd. 

Uw milieuvergunning kan toelaten dat u de lucht onder bepaalde omstandigheden elders afvoert dan van het dak:
Buiten een huizenblok 

  • De afvoer gebeurt op een plaats waar voetgangers niet worden gehinderd en gebeurt niet op een trottoir;
  • De afvoer gebeurt op ten minste 8 meter van een raam of luchtinlaat.

Binnen een huizenblok 

  • Het blok staat aan ten minste 2 zijden open;
  • Het blok omvat geen ziekenhuis, school, woning of andere gevoelige functie.

Om deze vrijstelling te verkrijgen, moet u er formeel om verzoeken. Ze wordt niet automatisch toegekend.

  • De deuren en ventilatiekanalen zijn voldoende lucht- en rookdicht. 
  • De ventilatiebuizen zijn niet uitgerust met een afsluitsysteem, met uitzondering van brandwerende systemen, zoals zwelroosters of brandwerende kleppen.

Toevoer van verse lucht

  • Zorg voor de toevoer van verse lucht via een voldoende aantal goed verdeelde ventilatieopeningen.
  • Voorzie de buitenluchtinlaten op plaatsen waar de lucht van goede kwaliteit is, uit de buurt van de openingen waarlangs verontreinigde lucht wordt afgevoerd. 
  • Gebruik geen lucht van de parking zelf om andere ruimten te ventileren met uitzondering van aanpalende technische lokalen, op voorwaarde dat er niemand in verblijft.
  • Voorzie in een onafhankelijke ventilatie van de exploitatie- of toezichtslokalen en zorg ervoor dat ze zich in overdruk bevinden ten opzichte van de parking.  

Er kan u eventueel een afwijking worden toegekend op de verplichting om deze gebruikte lokalen in overdruk te zetten. Er zijn twee voorwaarden:

  • Het gaat om een al bestaande situatie; 
  • Er is gebleken dat de bestaande ventilatie geen probleem vormt (meting van de luchtkwaliteit in de lokalen, geen klachten, ...).

Om deze vrijstelling te verkrijgen, moet u er formeel om verzoeken. Ze wordt niet automatisch toegekend.

Voor de parkings met mechanische luchtverplaatsing

  • Zie erop toe dat de lucht van de parking niet tot in de trappenhuizen of liftkokers, noch tot in het gebouw doordringt: respecteer de eisen van uw vergunning.  

Om erop toe te zien dat de lucht van de parking niet tot in de trappenhuizen/liftkokers, noch tot in het gebouw doordringt, kunnen we de verplichting opleggen dat:

  • ofwel de luchtafvoer tegen een hoger debiet gebeurt dan de luchttoevoer en dat de respectieve inrichting begint te werken zodra er lucht wordt aangeblazen;
  • ofwel dat er overgedimensioneerde openingen en scheidingselementen (sluis tussen de parking en de trappenhuizen en deur tussen het trappenhuis en de rest van het gebouw) worden voorzien bij een natuurlijke luchtuitlaat.

Op deze manier wordt de parking niet in overdruk gezet. In sommige gevallen kunnen we ook vragen dat de sassen in overdruk worden gezet ten opzichte van de parking, zodat de luchtstroom zich naar de parking toe begeeft bij het openen van de deur.

Voor de nieuwe boxen

  • Voorzie elke individuele box van 2 ventilatieopeningen:
    • één aan de bovenkant met een doorsnede ≥ 0,5 m2 en een hoogte ≥ 15 cm;
    • de andere onderaan, met een doorsnede ≥ 0,2 m2.
      Deze openingen communiceren met de buitenwereld of met de verkeersweg van de parking. Ze kunnen worden beschermd door een rooster om inbraak te voorkomen.
  • Installeer nooit ventilatie op een muur die twee garageboxen scheidt.

Top

b. Het gebruik van de parking

Parkeerplaatsen

  • Houd u aan het door uw vergunning toegelaten aantal parkeerplaatsen.
  • Respecteer het gebruik dat in uw vergunning voor de plaatsen is voorzien: uw vergunning laat dit gebruik enkel daar toe.
  • Maak uitsluitend gebruik van de parking om voertuigen te parkeren, tenzij uw vergunning uitdrukkelijk andere vormen van gebruik toelaat. 
  • Voor de gemengde parkings: respecteer het gedeelte van de plaatsen dat is voorbehouden voor de woningen en de kantoren/handelszaken.
    Zorg voor een visueel onderscheid tussen deze plaatsen in de parking, bv. door een andere vloermarkering.
  • Geef duidelijk op de vloer aan dat parkeren niet is toegestaan op plaatsen die de toegang tot nooduitgangen, opritten, uitgangen, liften en trappenhuizen belemmeren.

LPG-voertuigen

  • Verbied de toegang voor LPG-voertuigen, tenzij uw parking voldoet aan het LPG-besluit. 

    Om LPG-voertuigen te kunnen toelaten tot een overdekte parking of tot een bepaald deel van de parking, moet u de maatregelen voor de preventie van brand en ontploffing respecteren, die worden vastgelegd door het LPG-besluit van 17 mei 2007.

    Zo dient u met name te beschikken over:

    • een detectiesysteem voor LPG-gas;
    • een auditief en visueel alarmsysteem;
    • een ventilatiesysteem in overeenstemming met de specifieke LPG-eisen;
    • parkeerplaatsen die zijn voorbehouden aan LPG-voertuigen (tenzij uw volledige parking aan het besluit voldoet).

    Verder moet u ook toezien op het correcte en regelmatige onderhoud van deze installaties en dient u ervoor te zorgen dat de bewegwijzering duidelijk aangeeft, waar de plaatsen voor LPG-voertuigen zich precies bevinden.

    Als u LPG-voertuigen van uw parking gebruik wilt laten maken, dient u dat in uw vergunningsaanvraag te signaleren.

Elektrische voertuigen

Als uw parking beschikt over laadpunten voor elektrische voertuigen:

  • Bescherm de laadpunten tegen schokken.
  • Installeer en onderhoud de laadpunten volgens de eisen van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI).
  • Plaats ze op een goed geventileerde locatie (hoge ventilatie) om te voorkomen dat er zich een explosieve mengeling van waterstof en zuurstof kan vormen.
  • Voorzie een aangepaste blusinrichting (CO2).
  • Gebruik geen gelijkstroomladers.

Voor de nieuwe parkings

  • Rust uw parking uit met minstens één laadpunt voor elektrische voertuigen.
  • Zorg voor de nodige leidingen om de elektrische bedrading door te laten lopen, zodat u in de toekomst één laadpunt per parkeerplaats kunt installeren.
  • Zorg voor een technische ruimte voor de installatie van een elektrische hoogspanningskast om de laadpunten aan te sluiten op het elektriciteitsnet.
  • Plaats een brandblusser van minstens 6 kg in de onmiddellijke nabijheid van de oplaadvoorzieningen. Laat de brandblusser jaarlijks onderhouden.

Fietsparkeerplaatsen

Voor bestaande stallingen

  • Bij elke aanvraag tot verlenging van de milieuvergunning moet u een fietsenstalling voorstellen.
  • Zorg in de mate van het mogelijke voor overdekte, tegen de weersinvloeden beschermde parkeerplaatsen om fietsen langdurig te stallen.

Voor de nieuwe parkings

Parkeerplaatsen

  • Voorzie fietsstallingen in voldoende aantal. Houd rekening met
    • de activiteit van de site; 
    • de mogelijkheid om fietsen van externe bezoekers te stallen. 
  • Alle nieuwe gebouwen moeten beschikken over ten minste 2 m² parkeerruimte per fiets.
  • Zorg voor een minimale manoeuvreerruimte van 2 m tussen de fietsen enerzijds en vaste obstakels zoals muren anderzijds.
  • Elke fietsparkeerplaats moet voorzien zijn van een steun die geschikt is om de fiets gemakkelijk weg te zetten en vast te maken.
    Die steun:
    • houdt de fiets vast bij het frame;
    • maakt het mogelijk om het frame en een fietswiel met een U-vormig slot aan een vaste steun te bevestigen.
  • Zorg voor overdekte, tegen de weersinvloeden beschermde plaatsen om fietsen langdurig te stallen.
  • Boven elkaar geplaatste stallingsystemen zijn verboden. 

U kunt een gemotiveerde afwijking aanvragen op dit verbod voor:

  • projecten met > 50 fietsen;
  • gebouwen met fietsparkeerplaatsen voor langdurig stallen.

Elektrische fietsen

  • Installeer laadpunten voor elektrische fietsen.

Voor de toegang

  • Plaats fietsenstallingen in de buurt van ingangen en op het gelijkvloers.
    Als dit niet mogelijk is, voorzie dan in een toegang via een zachte helling met zo weinig mogelijk treden en deuren.
  • Als de fietsparkeerplaatsen via een lift worden bereikt, moet die een minimale diepte hebben van 2 m.
  • Als de fietsparkeerplaats via een helling van de parking bereikbaar is, mag ze zich hoogstens één verdieping hoger of lager liggen dan de openbare weg. De weg ernaartoe moet veilig toegankelijk zijn voor de fietsers.

Opslagverboden

  • Sla geen brandbare producten of recipiënten op, die ontvlambare stoffen (oplosmiddelen, brandstof, ...) bevatten, in de parking of in de boxen.
  • Sla geen archieven op in de parking.
  • Plaats geen vuilniszakken of vuilniscontainers in de parking. 

Als de DBDMH hiermee instemt, kunt u een afwijking verkrijgen voor de opslag van afvalcontainers in de parking. In dat geval dient u de volgende voorwaarden na te leven:

  • de containers hebben een maximumcapaciteit van 1 100 liter;
  • ze zijn bestemd voor huishoudafval, PMD (blauwe container) en papier/karton (gele container);
  • ze hinderen het voetgangers- en autoverkeer niet;
  • ze bevinden zich op duidelijk aangegeven plekken met een grondmarkering;
  • ze bevinden zich op een goed verluchte en propere plek en worden regelmatig schoongemaakt;
  • ze zijn afgesloten om te vermijden dat dieren erin binnendringen.
  • in de onmiddellijke omgeving ervan dienen zich twee brandblussers te bevinden.  Deze moeten jaarlijks onderhouden en gecontroleerd worden.

Top

c. De nooduitgangen en de toegangen

Nooduitgangen 

De normen voor nooduitgangen zijn vastgesteld in het besluit van 19 december 1997. Alle na deze datum opgetrokken gebouwen moeten dus aan die voorschriften voldoen. Voor oudere gebouwen bekijken we de situatie geval per geval, in samenspraak met de DBDMH, en leggen we specifieke eisen vast in de milieuvergunning.

  • Voorzie voldoende nooduitgangen: ten minste 2 per niveau. Onder bepaalde voorwaarden kan de helling als nooduitgang dienen voor het niveau -1.
    Vanaf eender welk punt in de parking moet er zich op maximum 45 meter afstand een nooduitgang bevinden.
  • Doe de vluchtwegen die naar buiten leiden (toegangen tot de trappen, uitgang van het gebouw ...) niet op slot, wanneer de parking in gebruik is. 

Een vergrendeling wordt uitzonderlijk toegestaan, als:

  • het om een bestaand gebouw gaat;
  • de deur naar een privatieve woninggang leidt;
  • elke gebruiker van de parking over de sleutel van de nooduitgang beschikt (identieke sleutel voor alle nooduitgangen);
  • er geen andere inrichting mogelijk is.

Als u niet al deze voorwaarden naleeft, mag u de deuren van de nooduitgangen nooit op slot doen. U dient dan andere inrichtingen te voorzien om een vergrendeling van de deur te voorkomen.

Als u een nieuw gebouw optrekt, moet u erop toezien dat de evacuatiewegen van de parking niet langs een privatieve woninggang leiden.

De deuren kunnen uitgerust zijn met een drukknop of een magnetisch systeem dat zich automatisch ontgrendelt in geval van brand of bij een stroompanne. Ze worden dan niet beschouwd als zijnde 'op slot'. 

  • Voorzie nooduitgangen van minstens 0,80 meter breed.
  • Maak het fysiek onmogelijk om voor de nooduitgangen te parkeren: plaats blokken, voorzie een voetpad, enz.  
  • Duid de uitgangen aan met behulp van pictogrammen: vanaf eender welk punt in de parking moet er een pictogram zichtbaar zijn.

In- en uitgangen

  • Als de ingang is uitgerust met een slagboom of een ander obstakel, voorzie dan, indien nodig, een wachtzone, zodat de auto's het verkeer op de voetpaden of de weg niet hinderen.
  • Voorzie voldoende en oordeelkundig verspreide uitgangen om een gemakkelijke evacuatie en een snelle toegang voor de hulpdiensten mogelijk te maken.
  • Houd de hellingen en de in- en uitgangen (zowel de berijdbare als die welke in geval van nood gebruikt moeten worden) volledig vrij: geen enkel voertuig mag de toegang ertoe blokkeren of hinderen.
  • Vergrendel de deuren van de evacuatiewegen niet tijdens de openingstijden van de parking.  

Vergrendeling is alleen toegestaan als de deur naar een privégang leidt, op voorwaarde dat er een automatisch ontgrendelingssysteem is in het geval van brand, samen met een noodontgrendelingsknop.

  • Als de zichtbaarheid slecht is of de helling steil, installeer dan spiegels om de veiligheid van de voetgangers op het voetpad te verzekeren.

Top

d. Het verkeer

Voetgangersverkeer

  • Voorzie voetgangerstoegangen van minstens 0,80 meter breed naar de uitgangen en de lokalen die aan de parking grenzen (met uitzondering van individuele kelders).
  • Baken deze gangen af en beveilig ze door middel van een fysieke scheiding (barrière, muurtje, ...).
  • Voorzie in de voetgangerszones een minimale afstand tot de vloer van 2 meter voor hangende obstakels (balk, leiding, koker, ...), behalve voor structurele elementen van bestaande parkings.
  • Voor de niveaus met meer dan 50 plaatsen: voorzie beveiligde voetpaden en markeer ze op de vloer.  
  • Voor de grote publieke parkings > 50 plaatsen en handelszaken > 200 plaatsen: zorg voor een fysieke afscheiding van de voetpaden ter hoogte van de hellingen en bochten door middel van een barrière, een muurtje, enz.

Voertuigenverkeer

  • Geef in openbare parkings duidelijk de voetgangersstroken aan, voor elk niveau met > 50 plaatsen.
  • Voorzie de hellingen van een schokbestendige borstwering als de voertuigen naar beneden kunnen vallen.
  • Als de parking lange rechte lijnen bevat, plaats dan verkeersdrempels.
  • Vraag het advies van de DBDMH voor de installatie van een autolift.  U dient misschien een wachtzone in te richten en strengere eisen op het vlak van ventilatie te respecteren.
  • De manoeuvre om een parkeerplaats in of uit te rijden, mag hooguit de verplaatsing van één ander voertuig vereisen.  

Als de parking beheerd wordt door hotelbedienden en er meer dan 2 plaatsen achter elkaar zijn, kunt u afwijking aanvragen.

Top

e.  De markeringen en de bewegwijzering

Zones en uitgangen

  • Baken de parkeerplaatsen en de laad-/loszones duidelijk af door middel van een markering op de vloer of via een andere vaste inrichting.
  • Gebruik verschillende markeringen om gemakkelijk het onderscheid te maken tussen de verschillende types van plaatsen.
  • Voorzie een gedifferentieerde markering op de vloer om elke vorm van parkeren te vermijden, die de toegang tot de hellingen, de berijdbare in- en uitgangen en de brandblusapparaten hindert.  
  • Maak het fysiek onmogelijk om voor de nooduitgangen te parkeren: plaats blokken, voorzie een voetpad, enz. 
  • Voor nieuwe parkings die na 10 maart 2021 in gebruik worden genomen:
    • Voorzie ten minste 2 uitgangen met een maximale afstand van 45 m om een ervan te bereiken;
    • Plaats duidelijk zichtbare pictogrammen om deze uitgangen te markeren.

Uithanging van de verbodsregels

  • Hang het verbod om de motor van een stilstaand voertuig te laten draaien, voluit geschreven uit. 
  • Plaats 'Verboden te roken'-pictogrammen.
  • Hang aan de ingang het verbod uit voor LPG-voertuigen om gebruik te maken van de parking, als uw parking niet voor dit type voertuigen is uitgerust.

Geleidingssysteem

  • Voor de grote publieke parkings > 50 plaatsen en handelszaken > 200 plaatsen: installeer een geleidingssysteem dat minstens aangeeft of er nog plaatsen vrij zijn en op welke verdieping.

Top

f.  De brandbestrijdingsmiddelen en de voorzieningen tegen luchtverontreiniging

Op het vlak van brandpreventie

  • Als de parking over een voertuiglift beschikt, moeten maatregelen worden getroffen om het brandgevaar te beperken.
    Voor nieuwe parkings is een sprinklerinstallatie verplicht.
  • Installeer op oordeelkundig gekozen locaties draagbare brandblusapparaten gevuld met 6 kg ABC-poeder en voorzien van het BENOR-label: minimum 1 brandblusser per 10 parkeerplaatsen. Heeft de DBDMH u strengere verplichtingen opgelegd, respecteer dan deze voorwaarden. 
  • Respecteer de voorgeschreven minimale brandwerendheid voor de deuren en wanden.  

    De brandwerendheidsnormen voor deuren en wanden zijn vastgelegd in het besluit van 19 december 1997. Alle na deze datum opgetrokken gebouwen moeten dus aan die voorschriften voldoen. Voor oudere gebouwen bekijken we de situatie geval per geval en leggen we specifieke eisen vast in de milieuvergunning.

    Voor alle gebouwen opgetrokken na 1997:

    Hoogte van het gebouw

    Brandwerendheid van de wanden

    Brandwerendheid van de deuren

    Gebouwen > 25m                   

    2 uur Een luchtsluis met 2 deuren
    elk ½ uur
    Gebouwen ≥ 10m en ≤ 25m 1 uur  Een luchtsluis met 2 deuren
     elk ½ uur

    Gebouw < 10 m 

    1 uur ½ uur
  • De leidingen, kokers en ventilatieroosters tussen de parking en de aangrenzende lokalen zijn uitgerust met brandwerende kleppen of smeltroosters die eenzelfde minimale brandwerendheid hebben als de deuren en wanden.
  • Maak geen openingen tussen de deuren en wanden van de evacuatiewegen, zelfs niet wanneer deze met smeltroosters zijn uitgerust.
  • Als u werken aan de wanden van de parking verricht, zie er dan op toe dat deze hun brandwerendheid handhaven of verbeteren.
  • Voor de grote publieke parkings > 50 plaatsen en handelszaken > 200 plaatsen: installeer een auditief en visueel alarmsysteem dat het bevel geeft om alle verdiepingen te evacueren in geval van brand of bij een ander incident. 

De alarmposten moeten:

  • voldoende talrijk en oordeelkundig verdeeld zijn;
  • gemakkelijk toegankelijk zijn;
  • duidelijk aangegeven zijn;
  • goed functioneren en goed onderhouden zijn.

Voor gaspreventie

  • Bescherm gasleidingen in de buurt van de parkeerplaatsen met een EI60 brandmuur met een breedte die 30 cm breder is dan de diameter van de leiding. 

Een gasleiding is toegestaan in de parking als: 

  • de leidingen zijn gemaakt van staal en door middel van lassen zijn samengevoegd;
  • het toebehoren en de toestellen tot de RHT-groep behoren volgens de normen NBN D 51-003 en NBN D 51-004;
  • de leidingen worden beschermd tegen mogelijke botsingen;
  • de leidingen zich boven de rijbanen bevinden;
  • buiten de parkeerplaats een gasafsluiter is voorzien die toegankelijk is.

Ter voorkoming van bodemverontreiniging

  • Opteer voor een vloerbekleding in sterke materialen die voldoende glad zijn om een gemakkelijke reiniging toe te laten en een verontreiniging van de bodem te voorkomen.
  • Voorzie een voorraad aan absorberend materiaal, zoals zand of zaagsel, op een zichtbare plaats van de parking om onmiddellijk elk accidenteel olie- of brandstoflek aan te pakken.

Top

g. De verlichting en de verwarming

  • Voorzie voldoende verlichting, zodat de gebruikers zich kunnen verplaatsen en gemakkelijk de uitgangen kunnen vinden.
  • Als u schakelaars installeert, dienen deze voorzien te zijn van indicatielampjes.
  • Installeer een noodverlichting die aan de geldende normen voldoet. 

Normen: NBN EN 1838, NBN C71-100 en EN 60589-2-22 of eender welke andere norm die gelijkwaardige garanties biedt.

  • Verwarm de parking niet, tenzij met behulp van een systeem dat de van het gebouw afkomstige lucht recycleert. 

Uw milieuvergunning kan u toelaten om systemen te installeren om de parking vorstvrij te houden. 

Top

Date de mise à jour: 17/09/2021